FAYASTON , ParboCom’s weekly NetColumn

(januari 1999, nr.11)

Door Ismene Krishnadath

Bruggen

Deze week gaat Fayaston over bruggen. Dat heb ik altijd een interessant onderwerp gevonden en volkomen actueel nu met het heien van de eerste paal over de bridge-to-be over de Surinamerivier, waarlijk een historisch moment in onze geschiedenis.

Als fanatieke letterproducent geil ik op de heerlijke beeldspraakmogelijkheden die het woord ‘brug’ biedt. Neem nou het gezegde ‘voor de brug zitten’ dat betekent dat je meer werk op je genomen hebt dan je aankan. Zeer toepasselijk, want iedereen vraagt zich natuurlijk af (sommigen oprecht bezorgd, anderen met stille hoop) hoelang het nog duurt voordat de Wijdenbosch-regering met haar twee prestigieuze brugprojecten – een over de Coppenamerivier en een over de Surinamerivier; Suriname zal dan in een ruk van oost naar west te overrijden zijn – voor de brug komt te zitten.

En wat vindt u van ‘een brug slaan tussen partijen’? Doet u dat niet denken aan de omhelzing van aartsvijanden Desi Bouterse en Frank Playfair bij het eerste paal-feest. Helaas voor Bouterse is de Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede niet zodanig gecharmeerd van de bruggen dat die in staat zijn de afstand tussen hen te overbruggen.

Nee, Bouterse zal echt met de waarheid over de brug moeten komen, wil hij de Organisatie van Gerechtigheid en Vrede tevreden stellen.

Heel sympathiek is ‘over de brug helpen’ en nogal ondeugend ‘onder de brug doorgaan’. Dat laatste is in de dikke ‘van Dale’ omschreven als ‘van achteren seksueel benaderen’.

Bruggen hebben ook iets onwezenlijks, iets irreëels, zoals ze daar boven het water - soms boven een ravijn - hangen. Mijn eerste dejà-vu-ervaring heb ik gehad op een brug in San Juan, Puerto Rico. Zo weet ik dat ik in een van mijn vorige levens een Indiaanse ben geweest en dat verklaart direct weer mijn nature-tick en de drang om een boek over Indianen te schrijven: Veren voor de piai.

Op een brug ben ik ook voor het eerst in aanraking gekomen met de fascinerende wereld van onze Marrons. Eeuwenoude tradities in het high-tech tijdperk. Dat was op de brug over de Suriname-rivier (hé, er is al een brug over de Surinamerivier) in het binnenland, vlak voor de Afobakastuwdam. Ik was toen een jaar of twaalf en we maakten met het hele gezin – vader en moeder voor in de auto, vijf kinderen op de achterbank – een uitstapje naar het stuwmeer. Het overloopgedeelte van de brug daar bestaat uit ijzeren roosters, die uiteraard gloeiend heet worden onder de tropische zon. In de auto, of met je stadse schoeisel aan, heb je daar geen last van, maar binnenlandbewoners lopen op blote voeten. Aan weerskanten van de brug staan ze te liften. Mijn vader vond het zijn sociale plicht om iemand mee te nemen en zo stouwde dus een authentieke Marron, voorzien van houwer, jachtgeweer en paraplu (die paraplu is een essentieel teken van mannelijkheid) zich naast vijf nieuwsgierige stadskindertjes op de achterbank van een oude Toyota.

Een brug geeft je ook een visionaire blik. Alle computer-geënsceneerde beelden op de t.v. hebben het laten zien. Het links verkeer wordt afgeschaft. Op de bruggen die we krijgen rijden de auto’s rechts. Wat een emancipatorische bijdrage aan onze geschiedenis! In het volgend millennium komt Suriname eindelijk los van zijn Britse verleden.

Previous Fayaston