Dr. M. Schalkwijk; 16 September 1997
Lange tenen
Volgens de meest recente verklaring van de voorzitter van de NDP is minister Mungra vooral
ontslagen, omdat de president gebelgd was over de uitspraken van de BVD voorzitter. 'Dat no
kan' moet Wijdenbosch gezegd hebben en Bouterse had er naar eigen zeggen verder weinig tegen
in te brengen. Wij weten dat presidenten soms lange tenen hebben en men herinnert zich nog wel
dat tijdens de vorige regering president Venetiaan een rechtszaak wegens smaad tegen de huidige
vice-president Radhakishun begon. Dat bracht enige spanning teweeg, maar heeft niet geleid tot
een breuk. Wat Mungra op een BVD vergadering zei was inderdaad niet zo fraai, maar het minst
fraaie heeft hij pas na zijn ontslag gespuid. Indien het om lange tenen gaat dan zou deze coalitie
nooit bij elkaar zijn gekomen, omdat er tijdens de verkiezingscampagnes veel grotere
beledigingen naar elkaars hoofd zijn geslingerd. De vraag is of de president zijn eigen positie -die
gezien de stemverhoudingen in de Volksvergadering en de afhankelijkheid van vijf
coalitiepartners vrij zwak was- op het spel zou zetten vanwege een paar beledigingen. Een
geroutineerde politicus als Wijdenbosch is wel wat meer gewend en zou hierom geen breuk
riskeren. Met de vele kapitaalsbelangen van zijn partij die op het spel stonden, lijkt dit ook een
veel te simpele verklaring. Zeker na de verhalen van NDP zijde over de bereidheid om braaksel
met lepel en vork weer op te eten lijkt dit niet de juiste verklaring. Bouterse heeft aangegeven dat
hij nog tot het laatst bij Atta Mungra op bezoek is geweest en hem dus -ondanks de beledigingen
aan het adres van de president- nog steeds een gesprekspartner voor de NDP vond. Om de lange
tenen lijkt het dus niet te gaan.
Vertrouwensbreuk
President Wijdenbosch gaf op zijn persconferentie over het ontslag van Mungra vooral te kennen
dat de minister onjuiste informatie naar buiten had gebracht. Dat zou hebben geleid tot een
vertrouwensbreuk. De kwestie waar het om ging was vooral de belastinginning, waarbij de
president aangaf dat er Sf 100 miljard aan belastingen niet was geind. Volgens de minister kon
hiervan effektief slechts Sf 10 tot Sf 15 miljard worden geind. Minister Mungra werd in zijn
stelling overigens gedekt door de notulen van de bespreking van 24 juli 1997 inzake de
invorderingsachterstand bij de direkte belastingen, welke door vijf personen is ondertekend. Uit
die notulen blijkt overigens ook dat de belastingdienst vrij goed op schema zat v.w.b. de
verwachte inkomsten in 1997. Er was in de eerste helft van het jaar immers Sf 21 miljard van de
op de begroting voorspelde Sf 42 miljard binnengehaald. De misinformatie leek dus uit een
andere hoek te komen en een president zal in zulke gevallen in de eerste plaats naar zijn minister
moeten luisteren. Met voldoende dekking aan officiele stukken mocht de belastingkwestie onder
normale omstandigheden niet leiden tot een vertrouwensbreuk en het ontslag van de minister. De
issue leek ook al iets te oud om tot het acute ontslag van de minister te leiden. Daarom schijnt dit
ook niet de belangrijkste overweging tot het ontslag te zijn geweest.
Eenheid van beleid
Volgens Wijdenbosch was er verder geen eenheid van beleid binnen de regering en werd die
eenheid m.n. verstoord door de minister van Financien. Dat lijkt een beetje gezochte reden tot
ontslag, omdat er op diverse momenten weinig eenheid in het regeringsbeleid is geweest, terwijl
dat niet heeft geleid tot het ontslag van een minister. In de kwestie Stalweide werd de minister
van Natuurlijke Hulpbronnen niet ontslagen, terwijl het weggeven van deze grond tegen het
regeringsbeleid en het beleid van LVV indruiste. De eenheid in het beleid m.b.t. het
streekziekenhuis Nickerie was totaal zoek. De minister van Volksgezondheid zat op een totaal
ander beleidsspoor dan de vice-president. Verschillende daden van de minister werden door de
vice-president teruggedraaid, terwijl de rechter andere zaken terugdraaide. De minister werd niet
ontslagen en nog minder de vice-president. Eenheid van beleid kan overigens niet subjektief
worden vastgesteld door de president of een minister, maar moet worden afgeleid uit het
voorgenomen beleid van de regering. In de regeringsverklaring 1996-2001 is aangegeven dat de
regering op financieel-monetair gebied o.m. als doel heeft het herwinnen van vertrouwen in de
gulden, meer betalingsdiscipline bij de overheid, vaste wisselkoers, een normale rentestand en
faciliteren van produktie-aktiviteiten. Minister Mungra heeft zich niet tegen deze
beleidsvoornemens verzet en lijkt ook na zijn ontslag voorstander te zijn geweest van dit beleid.
Volgens hem was juist de president hiervan afgeweken. Indien eenheid van beleid een
belangrijke reden tot ontslag is, zal dat zeker ook moeten blijken bij de Staatsolie deal, want
gezien de reakties bij Staatsolie zelf druist dat tegen elk beleid in.
Presidentswisseling
De opgegeven verklaringen voor het ontslag van Atta Mungra zijn dus gewogen en te licht of inconsistent bevonden. In ieder geval te licht voor Wijdenbosch om zijn positie als president op het spel te zetten. In een interview op Apintie televisie gaf ik onlangs aan dat Mungra's ambities voor het vice-presidentschap waren aangewakkerd en hij kennelijk in de verwachting leefde dat Bouterse het presidentschap naar zich toe zou trekken. Die verwachting bracht ik in verband met de veronderstelling dat het presidentschap de beste garantie voor Bouterse zou zijn om arrestatie door Interpol tegen te gaan. Het ging dus om de speculatie dat men binnen de BVD een presidentswisseling verwachtte en misschien zelfs de aanzet daartoe gaf. Dit werd later vanuit de BVD-top ontkend als een leidend motief.
Dat er echter degelijk voorbereidingen waren om president Wijdenbosch af te zetten, is onlangs
door ex-minister Brunings in een interview in 'Trouw' (overgenomen door De West van
13-9-97) bevestigd. De minister die vrij dicht bij het vuur zat, stelt dat men de buik vol had van
het verkwistend beleid en de vriendjespolitiek van Wijdenbosch. Hij stelt dat "iedereen het een
verademing zou vinden als Bouterse zou komen". Volgens hem zag Nederland dit ook aankomen
en heeft men er via het signaleringsbevel een stokje voor willen steken. Dit heeft volgens
Brunings gewerkt en Bouterse is weer gaan staan achter Wijdenbosch in ruil voor diens
bescherming. Wie terugblikt vanuit deze kennis kan een aantal signalen in die richting vinden. Er
kwamen aanwijzingen uit het kamp van de NDP zelf m.n. was er in kringen rond Bouterse vrij
openlijke kritiek op het te verbale beleid van Wijdenbosch. Verder leek de NDP te jagen op 34
zetels in de Assemblee m.n. door de vrijage met de Pendawalima. Waarom zou de NDP alsnog
een tweederde meerderheid willen hebben? Men was immers tevreden met de grondwet, waar
men zelf een behoorlijk stempel op had gedrukt. Die 34 zetels leken dus nodig voor een
presidentsverkiezing. Men had echter al de president geleverd, tenzij men een andere wilde
leveren.
Noodweer
Het is vanuit de bovengenoemde optiek duidelijk dat het ontslag van Mungra een
voorzorgsmaatregel ('pre-emptive strike') van de president was. De richting waarin de diskussies
in het voorzittersconvent zich begaven moesten hem wel met zorg vervullen. Een upgrading van
het voorzittersconvent zou een drastische beperking van zijn macht betekenen. Ook schatte hij
wellicht in dat men op zijn politieke kop uit leek te zijn en hij wist vermoedelijk al van de
plannen waar minister Brunings het over had. Kortom het ontslag was een soort noodweer van de
president om zijn politieke toekomst op de korte termijn veilig te stellen. De vraag is dan in
welke mate de president over Mungra's ontslag had afgestemd met de voorzitter van de NDP?
Indien het noodweer betrof mag er vanuit worden gegaan dat de president in deze waarschijnlijk
in grote mate zelfstandig heeft gehandeld. Dat wordt ondersteund door het zeer vage antwoord
dat de president op rechtstreekse vragen van de pers hierover gaf. Hij vermeed -ook na aandrang-
duidelijk te zeggen of de NDP-voorzitter het ontslag ondersteunde. Bouterse zelf heeft recentelijk
aangegeven dat de president zijn besluit -meteen na terugkeer uit Rio de Janeiro- aan hem
meedeelde en vermeed ook om te zeggen of hij het er echt mee eens was. Het initiatief is
hoogstwaarschijnlijk niet van Bouterse zelf gekomen, omdat die dan weinig ruimte voor een
lijmpoging zou hebben. Het verhaal van Brunings om de president te wisselen betekent echter dat
er sprake is van een zekere mate van rivaliteit tussen de president en de NDP-voorzitter. Het
betekent ook dat de coalitie inderdaad al enige tijd zeer grote moeite had met het funktioneren
van de president, hetgeen door diverse voorzitters ook gesteld is.
Noodweer of meesterzet?
De stap van de president is dus goed te verklaren vanuit het streven om zijn politieke leven -dat
aan een zijden draadje leek te hangen- te verlengen. Met zijn besluit heeft Wijdenbosch echter
tevens bewezen een zelfstandige faktor te zijn binnen het huidige politieke bestel, waar terdege
rekening mee moet worden gehouden. Hij heeft tevens zijn positie als sterke president -die zich
niet door een voorzittersconvent laat voordicteren- onomwonden versterkt. Ook NDP-voorzitter
Bouterse dient hier voortaan rekening mee te houden. Met Mungra's ontslag bereikte
Wijdenbosch echter nog meerdere doelen. Hij ontdeed zich immers van een lastige minister in
zijn kabinet. Verder zette hij de deur naar de oppositie open, omdat Mungra een samenwerking
met de VHP waarschijnlijk zou blokkeren. De president schiep dus potentiele ruimte voor een
alternatieve regering onder zijn leiding. Hij was daarmee minder afhankelijk van de lijmpoging
van Bouterse, omdat hij een eigen optie achter de hand had, indien de coalitie niet verder wilde
met hem. Tenslotte had hij door zijn zet ook het politieke leven van de vice-president verlengd,
die dat met een grote mate van loyaliteit behoort te belonen. Vice-president Radhakishun noemt
zich nog VHP-er en kan een belangrijke schakel worden, indien samenwerking met de oppositie
nodig zou zijn. Kortom ofschoon Wijdenbosch minister Mungra kennelijk vooral uit noodweer
heeft ontslagen, kan het weleens een meesterzet blijken. De president heeft in een vrij
uitzichtloze situatie zijn positie in het politieke damspel op de korte termijn versterkt. Of dat ook
op iets langere termijn zo is, is een andere vraag.
Positie president
Ofschoon Wijdenbosch met zijn hoog spel het presidentschap veilig heeft gesteld tijdens de
recente regeringscrisis, is zijn imago er niet op vooruit gegaan. Wijdenbosch is immers
behoorlijk onder vuur genomen. Hij zou zeer autoritair zijn ('machtsdronken' oordeelden
Mungra en Brunings) en weinig oog hebben voor de economische realiteiten, behalve voor die
van zijn vrienden. Verder zou hij geen verantwoording willen afleggen van zijn bestedingen en
de Nationale Assemblee plus Rekenkamer daarom buiten spel willen zetten. Verder luistert hij
nauwelijks naar welgemeende adviezen. Op het financieel en monetair beleid van zijn regering is
dusdanige kritiek geleverd door de HPP en PVF dat deze buiten de hernieuwde coalitie zijn
gebleven. Wijdenbosch lijkt door dit alles in een zeker isolement terecht te zijn gekomen en
straalt weinig gezag meer uit. De vaart is al na een jaar uit zijn regeerteam, waarbij de
wisselspelers vrij zwak blijken. De regering lijkt zich temidden van opdoemende schandalen en
verhalen over corruptie en vriendjespolitiek steeds meer te verliezen in puur overleven i.p.v.
regeren. In welke mate de president ook op de middellange en lange termijn zijn politieke leven
kan verlengen, hangt af van hoe hij met de kritiek omspringt. Indien hij alles naast zich neerlegt
verkort dat zijn politieke leven drastisch, omdat er inmiddels genoeg politieke krachten zijn die
hem wel weg willen hebben. Krachten die hij niet meteen bij de oppositie hoeft te zoeken,
hetgeen zijn funktioneren moeilijker zal maken. Indien Wijdenbosch het nog vier jaar wil
uithouden zal hij hard moeten werken aan verbetering van zijn relaties met diverse
maatschappelijke groepen, verantwoording moeten afleggen over zijn financiele uitgaven,
controle op deze uitgaven moeten toestaan en de relatie met zijn ministers en de Assemblee
moeten herzien. Kortom het democratisch denken en handelen van de president zal veel
manifester moeten worden binnen de samenleving, wil hij zijn potentieel politiek draagvlak
verbreden. En dan praten we nog niet over wijzigingen in het beleid, want dat merken we wel op
1 oktober bij de indiening van de begroting.