24 September 1997
De recente regeringscrisis is een goed moment om eens een korte stand van zaken m.b.t. diverse
politieke partijen op te maken. Het punt is nl. of partijen beter af zijn door in de coalitie te blijven
of in de oppositie te zitten. Soms kan een partij zich juist in oppositie profileren. De gangbare
opvatting in de Surinaamse politiek is echter dat de oppositie een minderwaardige plaats is en je
liefst altijd moet regeren. Jammer genoeg zijn er geen recente opiniepeilingen gedaan, waardoor
de huidige kracht van elke partij niet gemeten is. Toch zal ik proberen een inschatting te maken
over de positie van de verschillende partijen. In eerdere analyses zijn de NDP en BVD als
belangrijkste coalitiepartijen al besproken, zodat het accent zal vallen op de andere partijen.
Oppositie en coalitie
Vele kiezers zijn met het overlopen en de splitsingen in diverse partijen inmiddels de kluts een
beetje kwijtgeraakt. Het is daarom nuttig de politieke groeperingen met hun zetels (tussen
haakjes aangegeven) in de Nationale Assemblee te noemen. Vanwege de splitsingen in diverse
partijen hanteer ik hier het begrip politieke groepering. De coalitie bestaat uit NDP (16), BVD
(5), KTPI (4), OPDA (2), Pendawalima Kastogroep (2). De oppositie bestaat uit: NPS (9), VHP
(4), SPA (1), KTPI- Ardjosemito (1), Pendawalima Somohardjogroep (2), DA'91 (2), DP (1),
HPP (1), PVF (1). In de coalitie zitten dus vijf groeperingen en in de oppositie liefst negen. Dit
duidt in ieder geval op een grote fragmentatie van het politieke veld, waar ik in het laatste artikel
op terug kom.
KTPI
De toetreding van een deel van de Pendawalima (de Kasto-groep) tot de coalitie is vrijwel
geruisloos gegaan. Na de verkiezingen in mei 1996 was samenwerking met de Pendawalima in
een Nieuw Front-Middenblok combinatie nog een probleem. De KTPI gaf toen aan grote moeite
te hebben om samen met de Pendawalima in een regering te zitten, zeker wanneer de
Pendawalima even veel ministeries zou krijgen. Nu blijkt die weerstand er plotseling niet meer te
zijn. Dit kan betekenen dat niet de Pendawalima het probleem was, maar haar leider nl. Salam
Somohardjo d.w.z. Soemita en Somohardjo kunnen niet tegelijk in dezelfde regering zitten. In
augustus 1996 was 71% van de KTPI achterban tegen samenwerking met de Pendawalima. Het
thans wel accepteren van de Pendawalima is voor de achterban dus niet zo gemakkelijk als de
partijleiding misschien denkt. Opvallend is dat de KTPI vorig jaar een serie partijvergaderingen
hield om nauw voeling met de achterban te houden en de opdrachten uit te voeren. Tijdens de
recente regeringscrisis werd slechts binnenskamers vergaderd en de achterban er buiten
gehouden. Een mogelijke verklaring voor de probleemloze opstelling van de KTPI naar de
Pendawalima toe is dat ook binnen de KTPI een kapitaalsgroep aktief is en men de coalitie onder
geen beding wil verlaten. Ex-minister Brunings maakte melding van het feit dat de regering bezig
was met een Indonesische lening van U$ 300 miljoen. Andere informanten wijzen op financiele
belangen van m.n. voorzitter Soemita en minister Dragman bij allerlei deals die gemaakt zouden
zijn. Dit zouden tevens de belangrijkste representanten van de kapitaalsgroep binnen de KTPI
zijn. Vanwege betrokkenheid bij corruptiezaken in de jaren zeventig zijn deze heren uiteraard een
makkelijk doelwit van dergelijke beschuldigingen. Volgens ingewijden is de belangrijkste reden
dat de KTPI in de coalitie is gebleven echter gewoon zelfbehoud. Zelfbehoud in de zin dat men
in ieder geval verzekerd is van doorregeren en dat is voor de KTPI de belangrijkste politieke
logica. Niettemin is een deel van het kader en een aantal bestuursleden niet erg gelukkig met de
coalitie, maar hun stem telt pas bij de volgende verkiezing. Tenslotte blijkt Cornelis Ardjosemito
van de KTPI nog steeds een eigen fraktie in de oppositie in te nemen.
Pendawalima
Zoals bekend heeft zich binnen de Pendawalima een splitsing voorgedaan, waarbij een groep o.l.v. partijvoorzitter Marsha Jamin en de Assembleeleden Mohamed Kasto (Paramaribo) en Ngadimin Ronosomadi (Wanica) zich hebben losgemaakt. De andere groep staat o.l.v. Salam Somohardjo met ondersteuning van de twee Pendawalima Assembleeleden uit Commewijne nl. Hendrik Djoehari en Ronny Tamsiran. Als officiele reden voor de splitsing werd Somohardjo verweten solistisch op te treden en met geld te hebben gesjoemeld. Somohardjo van zijn kant verweet de dissidenten politiek opportunisme en gebrek aan discipline. Reeds op 4 januari van dit jaar maakte De Ware Tijd melding van het feit dat de Pendawalima door de NDP benaderd was om tot de coalitie toe te treden. Kasto gaf toen nog als voorwaarde aan dat men niet met de KTPI wilde samenwerken. De direkte aanleiding tot de splitsing binnen de Pendawalima lijken de verwikkelingen rond het radiostation Pertjaja, waarbij de zwager van Kasto als grote financier optrad. Er ontstonden echter problemen rond de financiele afspraken en de groep Somohardjo nam toen a.h.w. het station over. In reaktie hierop bewees Kasto's zwager dat hij via NDP relaties binnen 24 uur een vergunning voor een eigen station op zak had. Dit is waarschijnlijk het begin geweest van Kasto's meer intieme vrijage met de NDP. Zoals meestal was er echter een voedingsbodem voor de breuk binnen de partij. Somohardjo permitteert zich -zoals de meeste Surinaamse partijvoorzitters- veel vrijheid. Daarbij houdt hij te weinig rekening met de mening van mannen zoals Marsha Jamin, die de Pendawalima tijdens zijn afwezigheid jaren hebben geleid. Ook vond Kasto dat de Pendawalima de regeringsboot tijdens de Nieuw Front-Middenblok onderhandelingen had gemist door te halsstarrig vast te houden aan het aantal ministersposten. Kasto zag de continuering van de Pendawalima als oppositiepartij met lede ogen tegemoet. Zijn doel was om de partij de coalitie binnen te loodsen en dat doel is thans bereikt. Het is inderdaad de vraag in hoeverre de Kastogroep in staat zal zijn om zich als Pendawalima te kunnen profileren binnen de huidige coalitie. Dat is de KTPI met vijf ministers al nauwelijks gelukt. Het is niet verwachtbaar dat minister Waldi Nain zich op Planning en Ontwikkelingssamenwerking zal ontpoppen als een superminister, die de Kastogroep een goede toekomst biedt. Het probleem is dat Kasto vrijwel conditieloos is toegetreden tot de coalitie en daarmee zijn positie al heeft gemarginaliseerd. De splitsing binnen de Pendawalima betekent dat deze partij zonder meer verzwakt is en dus een makkelijke prooi voor de KTPI schijnt te zijn. Het kan dus ook zijn dat de KTPI de Kastogroep niet als een bedreiging ervaart en daarom in de coalitie toestaat. De twee zetels die Mohamed Kasto en Ngadimin Ronosomadi mee hebben genomen, worden vanuit die optiek potentieel als KTPI zetels gezien
Verwacht mag worden dat de Somohardjo-groep zich vanuit de oppositie meer zal profileren dan
de Kastogroep vanuit de coalitie. De Pendawalima is traditioneel trouwens het sterkst als
oppositiepartij. De Kastogroep heeft wel een achterban in Paramaribo en Wanica, maar zal zich
bij een volgende verkiezing moeilijk kunnen handhaven als zelfstandige partij. Kasto scheen een
veelbelovende politieke toekomst tegemoet te gaan, maar betwijfeld moet worden of hij na deze
periode in de coalitie nog voldoende politiek leven heeft. Voor zijn groep lijkt aansluiting bij de
KTPI dan ook het meest logische, te meer omdat dat iets is waar Soemita al jaren op aandringt.
Binnen de KTPI zal Kasto echter nooit de tweede plaats innemen, zodat zijn politieke toekomst
er daar minder rooskleurig uitziet. De splitsing van de Pendawalima kan een zekere groei voor de
KTPI inhouden. Afgewacht moet echter worden in hoeverre de achterban van deze partij het
optreden in de coalitie zal waarderen, want voorlopig is dat optreden beneden de verwachting
gebleven. Somohardjo moet ondertussen goed op zijn twee overgebleven assembleeleden letten,
want het lijkt alsof men bezig is om die ook naar de coalitie te lokken. In dat geval blijft
Somohardjo wel leider van de Pendawalima, maar dan zonder volksvertegenwoordigers. Hijzelf
overleeft dat wel, maar of de kiezers het zullen begrijpen is een andere vraag.
DA'91 en OPDA
De OPDA heeft zich bij de verkiezingen van president Wijdenbosch losgemaakt van DA'91 en is
ook tijdens de recente crisis in de coalitie gebleven. Deze daad van loyaliteit is beloond door de
NDP met een ministerie (Volksgezondheid). De vraag is natuurlijk wat Ramkhelawan en de
OPDA anders hadden kunnen doen. Deze groepering lijkt politiek immers ten dode opgeschreven
door opportunistisch gedrag. Ramkhelawan is indertijd uit de VHP gestapt. Binnen DA'91 bleek
hij geen betrouwbare partner, die er zelfs met de naam vandoor wilde gaan. Uit de OPDA zijn
inmiddels ook een aantal kernen gestapt o.l.v. Kenneth Moenne. Binnen de coalitie zocht OPDA
eerst aansluiting bij de BVD, maar was daar niet welkom. Ook tijdens de recente regeringscrisis
bleek de relatie met de BVD niet te boteren en beschuldigde men elkaar van omkoperij. Bij een
volgende verkiezing zal de OPDA dus weinig kans maken als zelfstandige partij en zich wellicht
genoodzaakt zien om de partij op te heffen en met het restant aan achterban op te gaan in een
andere partij, waarbij de NDP het meest voor de hand ligt. Ondertussen hebben de twee
overgebleven partijen binnen DA'91 nl. de AF (Winston Jessurun) en de BEP (Caprino Allendy)
zich in de oppositie gemanifesteerd. Vooral Jessurun blijkt op een onderbouwde wijze oppositie
te voeren. De vraag is echter in hoeverre DA'91 nog voldoende achterban heeft om een volgende
verkiezing succesvol in te gaan.
Alliantie (HPP, PVF, DP en PSV)
De Progressieve Alliantie is vorig jaar ook uiteengevallen tijdens de presidentsverkiezingen. Frank Playfair van de Democratische Partij zag daarbij zijn compagnon, Ernie Brunings, van de een op de andere dag overstappen naar de PVF in ruil voor een ministerspost. De PVF heeft zich in de Assemblee totaal niet geprofileerd en liep braaf achter de coalitie aan, hetgeen men van een agiterende vakbondsleider als Jiwan Sital niet verwacht zou hebben. De aansluiting bij de coalitie met Atta Mungra's BVD heeft de PVF achterban in Saramacca -waar de enige zetel gehaald is- lijkt de achterban niet goed begrepen te hebben en het is maar de vraag of Sital nog de gelegenheid krijgt om dit politiek uit te leggen. Brunings heeft zich als PVF minister slechts even mogen profileren, maar werd daarna overschaduwd door de president, die de relatie met Nederland en de donoren ging dicteren. De uittreding van de PVF uit de coalitie blijkt niet helemaal beginselvast te zijn, maar ietwat geforceerd door de NDP voorzitter, die de ministerspost van Brunings alvast aan de Pendawalima had gegeven. Een onderministerschap leek de PVF net te weinig om in de coalitie te blijven. De NDP had overigens bij de formatie van de coalitie al aangegeven dat men Brunings (die voor de PVF en DP bij de NDP zat) niet lustte als minister, zodat het weggeven van diens post aan de Pendawalima goed uitkwam.
De HPP toonde iets meer beginselvastheid door wel vanwege het beleid uit de coalitie te stappen.
Misschien heeft de HPP gewoon goed gebruik gemaakt van de crisis om de coalitie te verlaten,
omdat niet verwacht kon worden dat minister Khodabaks het nog lang zou volhouden. De HPP
heeft zich dus zonder al te veel problemen uit een netelige situatie gewerkt. De vraag is echter in
hoeverre er nog politiek leven in de partij zit? In de kwestie Stalweide heeft de HPP haar
achterban van zich vervreemd, door eerst te protesteren tegen de toewijzing van grond aan
Manglie, maar later in de Assemblee het regeringsbeleid te ondersteunen. Met slechts een zetel in
de Assemblee en nog wel die van Nickerie, was dit het moment om politiek af te haken en winst
te boeken. Nu lijkt echter een deel van de HPP achterban te zijn overgezwaaid naar de VHP. Ook
de HPP minister van Volksgezondheid heeft zich behoorlijk verslikt in de kwestie
Streekziekenhuis Nickerie en werd a.h.w. onder curatele gesteld door de vice-president. Harry
Kisoensing had zonder meer potentie om uit te groeien tot een belangrijke politieke leider, maar
de vraag is of hij middels deelname aan de coalitie die politieke toekomst niet heeft verspeeld?
Hem wordt binnen zijn partij verweten nauwelijks kontakt te hebben gehouden met de kaders en
zelfs het bestuur, terwijl er ook verwijten zijn over benoemingen van vrienden (zoals de minister
van Volksgezondheid) en familieleden. Toch heeft hij het als ondervoorzitter van de Assemblee
redelijk goed gedaan. De vierde partij in de Alliantie, de PSV, is als buitenparlementaire
oppositie partij kennelijk niet gegroeid. In ieder geval lijkt er van de Progressieve Alliantie niet
veel meer over te zijn. Zoals het er nu uit ziet zal men bij een volgende verkiezing niet eens de
drie zetels vast kunnen houden.
Nieuw Front (NPS, VHP en SPA)
Het Nieuw Front bestaat nog steeds uit de NPS, VHP, SPA (samen 14 zetels). De SPA is het
grootste slachtoffer geworden van het benoemingsbeleid van de regering. Vele SPA toppers zijn
ontheven uit hun overheidsfunkties of uit Raden van Commissarissen en de bedrijven waar de
SPA veel invloed had, zijn doelwit van wisselingen aan de top geworden. Het revanchisme van
m.n. de NDP tegenover de SPA is opvallend. De SPA heeft dit natuurlijk ook door en dat heeft
voorzitter Fred Derby tot de meest uitgesproken criticus van de coalitie gemaakt. Die positie
maakt Derby de facto tevens tot de woordvoerder van het Nieuw Front. De NPS en VHP -die
veel meer zetels hebben dan de SPA- hebben zich als grootste oppositiepartijen te weinig
geprofileerd. Voor een deel komt dit omdat men is blijven steken in de kritiek op de
totstandkoming van de coalitie. Voor een ander deel, omdat men te veel vertrouwt op de
politieke bagage van de oude garde en te weinig gebruik maakt van nieuwe ideeen en mensen. Er
is dan ook weinig dynamiek en gedegen voorbereiding te zien in de oppositievoering van de
VHP en NPS. Men komt in de Assemblee met kwinkslagen en ad hoc kritiek en te weinig met
een weldoordachte oppositievoering. Het lijkt alsof men voornamelijk op fouten van de regering
wacht en het leven van de politiek jonge DNA voorzitter ondertussen zo zuur mogelijk maakt.
Van de NPS en VHP met sterk in het zadel zittende voorzitters, die over voldoende eigen kader
beschikken, mocht een meer constructieve en zakelijke oppositievoering verwacht worden.
BVD
Over de BVD is genoeg gezegd in het tweede artikel in deze serie. Ik verwees daarbij ook naar
een alternatieve analyse, waarin de terugkeer van de BVD in de coalitie wordt geweten aan
politiek verraad door ondervoorzitter Marijke Djwalapersad en twee andere DNA leden. Daarbij
gaf ik aan dat zij zelf eerst zou moeten reageren op die aantijgingen. Dat heeft ze inmiddels
gedaan en zich gedistancierd van die aantijgingen. Integendeel blijkt dat zij zich achter voorzitter
Atta Mungra geschaard heeft en stelling heeft genomen tegen de Daewoo deal m.b.t. Staatsolie.
Tevens heeft ze aangegegeven dat zij vrijwel niet aan de lijmbesprekingen heeft deelgenomen,
maar dat die gedomineerd werden door Dilip Sardjoe en George Pahlad. Hiermee wordt mijn
analyse vanuit de BVD-top zelf onderbouwd. Tegelijk lijkt het er op alsof mevr. Djwalapersad
het gevoel heeft politiek misbruikt te zijn door de kapitaalsgroep, waar ze nu enige afstand van
neemt. Een eventuele splitsing binnen de BVD lijkt op komst, maar zal langs iets andere lijnen
dan verwacht. Het zal dan een poging zijn om het politieke leven van deze partij te verlengen. In
hoeverre dat alsnog lukt zal de toekomst moeten uitwijzen, maar ik denk dat het een hele zware
opgave is. Misschien kan het nog via een samengaan tussen de BVD, HPP en PVF, omdat men
allen door dezelfde politieke dood bedreigd wordt. Dat zal echter alleen kunnen wanneer de drie
leiders bereid zijn een deel van hun ego opzij te zetten, anders zullen al vrij snel
leiderschapsproblemen ontstaan.
De NDP
De NDP heeft zich gemanifesteerd als een krachtige coalitiegenoot. Nu die positie na de regeringscrisis is versterkt kan de NDP de vinger niet meer naar anderen wijzen wanneer het mis gaat. Dat betekent dat de NDP vrijwel volledig verantwoordelijk is voor de verdere termijn van de coalitie. Via de coalitie heeft de NDP zichzelf politiek gelegitimeerd in nationaal en internationaal opzicht. Die legitimatie heeft men echter onvoldoende positief gebruikt. Men leidt aan dezelfde kwaal als het Front in 1987 nl. dat men vooral terugvalt op de oude garde binnen de partij, omdat men de nieuwe lichting kennelijk niet vertrouwt. De NDP lijkt onvoldoende in staat te zijn om vanuit een open partnership te werken en teveel vanuit een machts- en belangenpositie te opereren. Dat schept frikties met de coalitiepartners, die zich er aan storen en zien dat gemaakte politieke afspraken niet altijd worden nagekomen. Dat patroon van werken wekt verder bij diverse groeperingen het beeld van het militair regime in de tachtiger jaren op. Met name de oppositiepartijen hebben hier al een aantal verklaringen aan gewijd. De Daewoo affaire lijkt dit patroon helaas te bevestigen, waarbij men zich overigens lelijk in de politieke vingers heeft gesneden, omdat de steun voor Staatsolie zeer breed is. De NDP zal moeten beseffen dat zij met het stigma uit de tachtiger jaren leeft en zeer hard zal moeten werken om daarvan af te komen. Even leek het er op alsof NDP-voorzitter Bouterse zich bewust werd van de groeiende maatschappelijke isolatie nl. toen hij het idee van een Nationaal Platform lanceerde. De wijze van oplossen van de regeringscrisis, waarbij loyale partners (OPDA, KTPI en Pendawalima) direkt zijn beloond en minder loyale partners (BVD, HPP, PVF) politiek meteen zijn gestrafd, geeft echter te denken. De kansen om in de breedte te werken en het Nationaal Platform idee gestalte te geven zijn niet aangegrepen. Daarbij komt dat de benadering van de democratie als een puur getallenspel in de Nationale Assemblee en het buitenspel zetten van de Rekenkamer, niet getuigt van grote democratische werklust. Hierbij speelt ook de vraag in welke mate de voorzitter van de NDP en zijn president nog op een lijn liggen, omdat dit voor een deel de verdere dynamiek binnen de NDP zal bepalen. Wil men het kiezersvolk en het vertrouwen bij de bevolking niet verder verliezen dan zal de NDP de verbale noties die in de regeringsverklaring zijn vastgelegd moeten realiseren. De druk tijdens de rest van de regeerperiode is immers volledig op deze partij komen te liggen.