HET ONTSTAAN VAN DE REKENKAMER VAN SURINAME

(Verschenen in De West 12 juli 1997)

Het heeft een hele tijd geduurd vóór de Rekenkamerverordening op 12 maart 1953 (G.B. No. 12) totstandkwam. Het oorspronkelijke ontwerp van de betreffende landsverordening was op 2 februari 1949 ingediend door de Gouverneur in verband met de nieuwe staatsrechtelijke ontwikkelingen in het Koninkrijk der Nederlanden waarbij autonomie aan ons land zou worden verleend. Tot dan was het de Algemene Rekenkamer van Nederland die toezicht op het financiële beheer in ons land uitoefende. De voorgestelde naam voor het beoogde orgaan was Onafhankelijk Controle-orgaan voor Suriname die een commissie van de Staten van Suriname zou moeten zijn. Het ontwerp ontmoette echter zoveel kritiek in de Staten van Suriname dat het drastisch moest worden gewijzigd. Op 2 november 1951 kwam de Gouverneur met een wijzigingsvoorstel waarin sprake was van een Controleraad bestaande uit personen die geen lid van de Staten van Suriname of van de Raad van Advies mochten zijn. Tijdens de behandeling werd de naam veranderd in Rekenkamer van Suriname. De Staten deelde de Gouverneur op 27 maart 1952 mede dat het ontwerp was goedgekeurd, maar op 7 augustus 1952 antwoordde de Gouverneur dat hij bezwaar had tegen het goedgekeurde ontwerp. Een belangrijk bezwaar was dat er onvoldoende waarborgen waren voor de onafhankelijkheid van de Rekenkamer.

BESCHERMING TEGEN DE REGERING

In het nieuwe ontwerp dat de Gouverneur op 15 november 1952 indiende staat als toelichting o.m. het volgende te lezen:

''Het moet niet mogelijk zijn voor de uitvoerende macht om haar onwelgevallige leden van de Rekenkamer zonder meer te kunnen ontslaan. Er moeten betere waarborgen aanwezig zijn, welke de ondergetekende meent te zien in de in artikel 6 tot en met 9 neergelegde regeling. De Gouverneur verleent weliswaar het ontslag, maar hij kan dit ontslag niet verlenen dan nadat het Hof van Justitie in raadkamer bij met redenen omklede verklaring heeft vastgesteld, dat een of meer der in artikel 6 sub c en e en artikel 7 sub a en c bedoelde gevallen zich voordoet en het ontslag wettigt. Aansluiting is hierbij gezocht op de desbetreffende bepalingen van ontslag aan leden van de rechterlijke macht, welke ook in Nederland grotendeels op de leden van de Rekenkamer toepasselijk zijn verklaard, met dien verstande dat aldaar het ontslag is opgedragen aan de Hoge Raad.''

Het uiteindelijk goedgekeurde ontwerp is sedert zijn totstandkoming nimmer gewijzigd. Als een waarborg voor het onafhankelijke optreden van de Rekenkamer is in de wet derhalve nog steeds uitvoerig omschreven wanneer haar leden mogen worden ontslagen. Zij mogen alleen worden ontslagen wanneer zij onder curatele zijn geplaatst, aanhoudende lichaams en zielsgebreken of ouderdomsgebreken vertonen, wegens misdrijf zijn veroordeeld, in staat van faillissement zijn verklaard of wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij gebleken voortdurende achteloosheid bij hun werk of wanneer zij anders dan bij verleend verlof langer dan 6 maanden in het buitenland verblijfhouden. Bij de verlening van ontslag dient de President eerst een verklaring van het Hof van Justitie te hebben verkregen dat tenminste één van de in de wet genoemde redenen zich voordoet.

Het is opvallend dat ofschoon noch de Landsregeling van 1950 (G.B. No. 12) noch de Staatsregeling van 1955 (G.B. No. 53) een benoeming voor het leven voorschreef, deze bepaling toch in de Rekenkamerverordening werd opgenomen. In de Grondwet van 1975 werd de benoeming voor het leven wel vastgesteld, maar in de Grondwet van 1987 werd de benoemingsperiode teruggebracht tot 5 jaar met de mogelijkheid van herbenoeming.

RUIME BEVOEGDHEDEN

Een andere bijzonderheid van de Rekenkamerverordening was dat zij de Rekenkamer opdroeg om ''de controle op het geldelijk beheer van de overheid in de ruimste zin'' uit te oefenen ofschoon in de Landsregeling en later in de Staatsregeling slechts als opdracht is vermeld ''het toezicht op de besteding der geldmiddelen overeenkomstig de begroting, alsmede de goedkeuring der rekening van ontvangsten en uitgaven.''

De verordening gaf de Rekenkamer derhalve een uitgebreidere opdracht dan de basisregeling zelf. Dit is begrijpelijk omdat een controleerbaar en ordelijk geldelijk beheer niet mogelijk is zonder een goede administratieve organisatie en een adequate interne controle. Eigenlijk werd daardoor de doelmatigheid van de gehele overheidsorganisatie onder het toezicht van de Rekenkamer gebracht, zonder dat dit expliciet in de wet was opgenomen. In de Grondwet van 1975 is dit wel het geval: Het toezicht en de controle moesten worden uitgeoefend op zowel de rechtmatigheid als de doelmatigheid in de ruimste zin. De Memorie van Toelichting zegt hierover:

''De Rekenkamer is belast met de controle op het beheer der staatsfinanciën, het doen der uitgaven en het innen en in ontvangst nemen van gelden ten behoeve van de staat in de ruimste zin. Het financiële beheer van parastatale lichamen valt dientengevolge ook onder haar toezicht. Uitdrukkelijk wordt in het artikel bepaald, dat het toezicht zowel de rechtmatigheid als de doelmatigheid van het beheer betreft''.

Deze formulering is ook in de Grondwet van 1987 gebruikt, zodat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat men toen ook hetzelfde heeft bedoeld.

In de Comptabiliteitswet 1976 van Nederland die voor het laatst in 1992, voor de vijfde keer, werd gewijzigd, wordt de Algemene Rekenkamer opgedragen ''aandacht te wijden aan de doelmatigheid.'' De Surinaamse Rekenkamer heeft derhalve van meet af aan formeel meer bevoegdheden dan de Nederlandse Algemene Rekenkamer gehad.

OPENBAARHEID VAN BESTUUR

Ofschoon in de Rekenkamerwet alleen is bepaald dat de Rekenkamer elk jaar vóór 1 april verslag over haar werkzaamheden dient uit te brengen aan de Regering en het parlement, werd met het oog op het beginsel van openbaarheid van bestuur, het verslag steeds beschikbaarheid gesteld aan de nieuwsmedia. In de Grondwet van 1975 werd voor het eerst formeel bepaald dat het verslag openbaar moet worden gemaakt. De wet werd daarmee in overeenstemming met de praktijk gebracht. Dezelfde formulering komt ook voor in de Grondwet van 1987.

De Rekenkamer heeft in een bijlage van haar Verslag 1991 hierover het volgende gesteld:

''Het bestaan van de voor de democratie noodzakelijke instituten op zich is echter onvoldoende; het komt neer op de inhoud en de ruimte die zij daadwerkelijk hebben om hun taak te kunnen vervullen. Internationaal wordt het belang van een goed functionerende Rekenkamer steeds weer benadrukt. Met behulp van de bevindingen van de Rekenkamer wordt het parlement in staat gesteld een oordeel te geven over het beleid van de Regering en op het spoor gezet van onvolkomenheden die correctie behoeven. Het ligt aan het parlement wat het wenst te doen met het verslag van de Rekenkamer en hoe en/of zij de door de Rekenkamer geconstateerde gebreken wenst te corrigeren.

Omdat de inhoud van het verslag van de Rekenkamer bekend is, heeft het publiek evenwel ook een middel in handen om te oordelen over de wijze waarop het parlement de Regering ter verantwoording roept. Het is dus essentieel in een echte democratie dat de openbaarheid van het verslag van de Rekenkamer NIET afhangt van het parlement aangezien het parlement in de verleiding kan komen om zijn eigen falen om corrigerend en richtinggevend op te treden te verbergen. De Rekenkamer moet vrijelijk met het publiek in kontakt kunnen treden om te bevorderen dat behoorlijke verantwoording wordt afgelegd voor het gevoerde financieel beheer door overheidsfunctionarissen. Het is algemeen aanvaard dat de Rekenkamer voorlichtend optreedt ten aanzien van de eisen die aan deze verantwoordingsplicht worden gesteld. Een zwijgende Rekenkamer is dus te verfoeien in een democratisch bestel."

VERPLICHTE VERSTREKKING VAN INFORMATIE

Zowel in de Comptabiliteitswet als in de Rekenkamerwet is aan de Rekenkamer een aantal taken opgedragen. Tevens is aangegeven welke verplichtingen het overheidsapparaat (dit wil zeggen de Regering en haar ambtenaren) ten opzichte van de Rekenkamer heeft. Artikel 30 van de Rekenkamerwet bepaalt het volgende:

''1. De Kamer is verplicht aan de Landsministers alle voorstellen, opmerkingen en bedenkingen mede te delen, welke zij met betrekking tot de ontvangsten en uitgaven, alsmede ter verbetering of vereenvoudiging van 's Lands geldelijk beheer, nuttig mocht achten.

2. Zij is mede verplicht aan de Landsregering en aan de Staten zodanige mededelingen te doen, als zij in 's Lands belang nodig oordeelt.''

Afgezien van de specifieke regelingen is voorts in artikel 31 van de Rekenkamerwet, als kapstok, het volgende bepaald:

''1. De Kamer is verplicht aan de Landsministers alle inlichtingen te verstrekken welke de aard van haar werkzaamheden toelaat.

2. De Landsministers zijn verplicht aan de Kamer alle inlichtingen te verstrekken, welke deze nodig acht ter vervulling van haar taak, tenzij het geheime uitgaven geldt, waarvoor op de begroting gelden zijn toegestaan.''

Het is derhalve niet aan de Regering om te bepalen welke bescheiden zij aan de Rekenkamer wenst te sturen, maar het is de Rekenkamer die bepaalt wat zij nodig heeft om haar werk te kunnen doen. In het geval de Regering bezwaar heeft om bepaalde inlichtingen te verstrekken dan dient zij dat met redenen omkleed aan de Rekenkamer kenbaar te maken. Er kan dan een regeling worden getroffen. In het uiterste geval, wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt, kan het geval aan de Nationale Assemblée worden voorgelegd. Het is immers het parlement aan wie de regering rekenschap moet geven.

Uit het voorgaande blijkt dat de Rekenkamer vanaf haar instelling:

- niet ondergeschikt is aan en derhalve geen instructies opvolgt van welk orgaan dan ook;

- geen aanhangsel c.q. werkarm is van welk staatsorgaan dan ook;

- eigen grondwettelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden heeft;

- zelf aangeeft welke inlichtingen en bescheiden zij van de overheid moet ontvangen;

- verplicht is om, ter verbetering van het overheidsapparaat, haar inzichten kenbaar te maken.

(Publicatie van de Rekenkamer van Suriname).