VERSLAG

1997

Rekenkamer van Suriname

INHOUD

INLEIDING

ALGEMEEN

1.1	SAMENSTELLING REKENKAMER VAN SURINAME
1.2	CONSTITUTIONELE CRISIS GECONSTATEERD
1.3	NATIONALE ASSEMBLÉE ZEGT VERTROUWEN OP
1.4	UITNODIGING NIET AANVAARD
1.5	ONDERHOUD MET D.N.A.-COMMISSIE
1.6	PUBLICATIES
1.7	INTERNATIONALE CONTACTEN
1.7.1	Vertegenwoordiging op CAROSAI-congres
1.7.2	Internationale organisaties

 

DE ORGANISATIE VAN DE REKENKAMER

2.1	ALGEMEEN
2.2	PERSONEELSSITUATIE

 

DE ORGANISATIE VAN DE OVERHEIDSDIENST

3.1	ALGEMEEN
3.2	VOORSTELLEN TER VERSTERKING VAN DE RECHTSSTAAT
3.3	WERKVERGUNNINGEN VOOR ILLEGALE GOUDDELVERS
3.4	VREEMDELINGENWET NOG STEEDS NIET VAN KRACHT
3.5	VERWARRING SCHEPPENDE REORGANISATIE VAN KABINET VAN DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK
3.6	FRAUDE BIJ REGIONALE ORGANEN NOG STEEDS NIET OPGELOST

 

DE FINANCIËLE ADMINISTRATIE VAN DE STAAT

4.1	REGERING VERBIEDT INFORMATIE AAN DE REKENKAMER
4.2	ONJUISTE VOORSTELLING VAN ZAKEN DOOR PRESIDENT EN VICE- PRESIDENT
4.3	PERSOONLIJK FINANCIEEL BEHEER DOOR PRESIDENT
4.4	KOSTEN VIERING VERJAARDAG VAN DE PRESIDENT DUBIEUS
4.5	BEWINDSPERSONEN VERDIENEN AAN AUTOVERGOEDINGSREGELING
4.6	INGANG SCHADELOOSSTELLING AAN BEWINDSPERSONEN ONWETTIG
4.7	REGELING DIENSTREIZEN NIET FORMEEL VASTGESTELD EN NIET TE CONTROLEREN	
4.8	STAATSBEGROTING 1997 GOEDGEKEURD
4.9	ONRECHTMATIGE UITGIFTE VAN SCHATKISTPAPIER
4.10	GEREGISTREERDE GELDLENINGEN EN OVERHEIDSGARANTIES EN HERHAALDE SCHENDINGEN VAN LENINGENWET
4.11	STAATSBESLUIT PARTIËLE COMPENSATIE WISSELKOERSVERLIEZEN NIET IN WERKING
4.12	DEKKINGSPERCENTAGE GULDEN
4.13	AFWIJKINGEN VAN DE REGEL VANOPENBARE AANBESTEDING
4.14	GEEN BEGROTINGSREKENINGEN INGEDIEND
4.15	STAATSTELEFOONREKENING WORDT NIETGECONTROLEERD

 

HET PERSONEELSBELEID VAN DE OVERHEID

5.1	ALGEMEEN	
5.2	SALARISVERHOGINGEN ZONDER BESTUURSBESLUITEN
5.3	GEEN DEFINITIE VAN BEGRIPPEN

 

HET BEHEER VAN STAATSEIGENDOMMEN

6.1	BEZWAAR TEGEN VERKOOP DIENSTGOEDEREN AAN BEWINDSPERSONEN
6.2	DUUR GEBOUW VOOR BUITENLANDSE ZAKEN

 

PARASTATALE INSTELLINGEN

7.1	INSTELLLING SECTIE STAATSBEDRIJVEN BIJ FINANCIËN
7.2	DE GOUDOPKOOP VAN DE CENTRALE BANK VAN SURINAME

 

BIJLAGEN

1	STAATSBEGROTING 1997
2	UITBETAALDE SALARISSEN VIA CEBUMA
3	STAATSTELEFOONREKENING

 

 

 Mahoniehouten sculptuur uit de Staatscollectie die zich in de kamer van de

Voorzitter van de Rekenkamer van Suriname bevindt.

 De kunstenaar George Barron heeft dit werk geen titel meegegeven.

De treurende figuur geeft evenwel zeer goed de gemoedstoestand weer van menige objectieve onderzoeker van het gevoerde financieel beheer van de staat.

 

foto: Vincent Mentzel

 

 

 INLEIDING

 

"Wees geen dief, wees geen leugenaar, wees niet lui."

(Oude leefregel van de Inca's)

"Gij zult niet stelen, gij zult niet liegen, gij zult elkander niet bedriegen."

(Leviticus 19:11)

 De Rekenkamer doet hierbij verslag van haar werkzaamheden in het dienstjaar 1997 en voldoet hiermede aan het bepaalde in artikel 151 van de Grondwet en artikel 29 van de Rekenkamerwet.

 Nimmer tevoren is het Rekenkamerverslag zo vroeg in het jaar verschenen.

Dit heeft 2 oorzaken:

1. De Regering houdt essentiële informatie achter en heeft plaatselijke controle onmogelijk gemaakt door ambtenaren te verbieden die toe te staan.

Het verslag kon derhalve kort worden gehouden.

2. De omstandigheid dat de Voorzitter van de Rekenkamer van Suriname, vooruitlopende op de beëindiging van zijn zittingsperiode per 1 juni 1998, zijn tegoed aan verlofdagen opneemt. Op het einde van het verslagjaar waren de bestaande vacatures bij de Rekenkamer nog steeds niet vervuld. Bij afwezigheid van de voorzitter zou de Rekenkamer daarom niet rechtsgeldig kunnen vergaderen. Door het verslag nu te laten verschijnen is in ieder geval tegemoet gekomen aan het wettelijk voorschrift dat het verslag vóór 1 april van elk jaar dient te worden uitgebracht.

 De door de Regering veroorzaakte en door de Nationale Assemblée gedoogde constitutionele crisis waarbij de onafhankelijke controle van de Rekenkamer op het financiële beheer van de overheid ook formeel is weggevallen, begon in april van het verslagjaar. Zij duurt nog steeds voort. De democratische legitimiteit van het huidig staatsbestel is hierdoor niet alleen ernstig aangetast, maar wordt verder uitgehold omdat het hoogste controle-orgaan van de staat, de Nationale Assemblée, niet in staat is gebleken om de herhaalde schendingen van de wet door de Regering te corrigeren.

 Wegens zuinigheid wordt het huidige verslag niet in de tot nu toe gebruikelijke tientallen, maar slechts in 1-voud en op een computerdiskette aan zowel de Nationale Assemblée, de Staatsraad als de Regering aangeboden.

De genoemde organen kunnen dan zelf de gewenste exemplaren produceren en distribueren.

Het is voorts de bedoeling dat evenals Verslag 1996 ook dit verslag via Internet is te lezen op het adres: http: // www. parbo.com.

 De Nationale Assemblée is er nog steeds niet in geslaagd om een persoon voor benoeming tot Secretaris van de Rekenkamer van Suriname voor te dragen. Evenals het vorige verslag wordt het huidige daarom alleen door de voorzitter ondertekend.

 Paramaribo, 5 januari 1998

 De Rekenkamer van Suriname,

H.O. Prade

Voorzitter

 

 

 

 1 ALGEMEEN

 

 1.1 SAMENSTELLING VAN DE REKENKAMER

Ofschoon in de pers is verschenen dat de Nationale Assemblée in een huishoudelijke vergadering van 16 december 1997 een persoon heeft aangewezen om benoemd te worden tot lid van de Rekenkamer, heeft de Rekenkamer in het verslagjaar geen bericht van een benoeming van een lid ontvangen. Evenmin is er een secretaris van de Rekenkamer benoemd.

Aan het einde van het verslagjaar was de samenstelling van de Rekenkamer derhalve dezelfde als het vorige jaar:

 Drs.H.O. Prade - lid tevens voorzitter

J. Sheombar - lid

R.S. Marlan - plaatsvervangend lid

 De zittingsperiode van de leden Prade en Sheombar eindigt op 1 juni 1998.

Vooruitlopende op het einde van zijn zittingsperiode zou de heer Prade per 1 december 1997 in het genot moeten worden gesteld van de verlofdagen die hij tegoed heeft.

Er werd evenwel niet voorzien in de bestaande vacatures zodat bij vertrek van de heer Prade de Rekenkamer niet rechtsgeldig zou kunnen vergaderen en het kantoor van de Rekenkamer mede wegens de vacature van Secretaris van de Rekenkamer, zonder dagelijkse leiding zou zijn.

Per brief van 12 december 1997 heeft de Rekenkamer de President van de Republiek op de hoogte gesteld van haar besluit om het vertrek van haar voorzitter tot 12 januari 1998 uit te stellen door zijn verlof op te schorten waardoor de ongewenste situatie voorlopig werd voorkomen.

Op dit schrijven werd geen reactie van de President of van de Nationale Assemblée ontvangen.

 

1.2 CONSTITUTIONELE CRISIS GECONSTATEERD

 De weigerachtige houding van de Regering om de Rekenkamer inlichtingen te verschaffen en de daarmede verband houdende uitlatingen van de President van de Republiek en parlementsleden in de Nationale Assemblée (DNA) die breed werden uitgemeten in de pers, en een door DNA op 17 juli 1997 aangenomen motie om het vertrouwen in de Voorzitter van de Rekenkamer op te zeggen, noodzaakten de Rekenkamer om op 28 juli 1997 de volgende verklaring uit te geven:

 

VERKLARING VAN DE REKENKAMER VAN SURINAME

 De Rekenkamer van Suriname wenst naar aanleiding van berichten die zij via de pers heeft vernomen, het volgende onder de algemene aandacht te brengen:

 1. De Rekenkamer van Suriname heeft nimmer een bericht van de Nationale Assemblée, de Regering of een regeringsfunctionaris ontvangen waarin melding is gemaakt van bezwaar tegen haar handelen of dat van enig lid.

2. Zij heeft nimmer een mededeling ontvangen dat de Regering of de President van de Republiek niet kan samenwerken met haar voorzitter.

 3. De Regering heeft de Rekenkamer nimmer laten weten dat zij de verstrekking van gegevens op een andere wijze dan gebruikelijk en wettelijk voorgeschreven, wenst te laten plaatsvinden.

 4. De Regering heeft, ook na verzoeken daartoe, nagelaten de Rekenkamer ervan op de hoogte te stellen waarom zij de wettelijk voorgeschreven verstrekking van gegevens aan de Rekenkamer heeft gestaakt.

 5. De Nationale Assemblée heeft tot op heden niet gereageerd op de klacht van de Rekenkamer van 28 mei 1997 dat de Regering haar grondwettelijke plicht verzaakt door geen stukken te sturen waardoor de Rekenkamer haar grondwettelijke opdracht om toezicht uit te oefenen op het financiële beheer van de overheid, niet kan uitvoeren.

 6. Het besluit van de motie die de Nationale Assemblée op 17 juli 1997 heeft aangenomen om het vertrouwen in de Voorzitter van de Rekenkamer op te zeggen, behoort niet tot de rechtsbevoegdheid van de Nationale Assemblée en heeft derhalve geen juridische waarde.

 7. De motie berust overigens op onjuistheden en onwaarheden hetgeen reeds op 16 juni 1997 aan de Nationale Assemblée is medegedeeld zonder dat er correcties zijn gepleegd.

 8. De Nationale Assemblée heeft de Rekenkamer niet in kennis gesteld van de aanname en de betekenis van de motie. Evenmin heeft zij de Rekenkamer om inlichtingen gevraagd.

 9. De motie heeft wel het effect dat de Regering de Grondwet blijft schenden door de controle op haar financiële beheer onmogelijk te maken.

 De Rekenkamer stelt vast dat de Regering, gesteund door een eenvoudige meerderheid in het parlement, een belangrijk onderdeel van de Grondwet buiten werking heeft gesteld, hetgeen een ernstige aantasting is van de grondslagen van de democratische rechtsstaat die ons land wordt verondersteld te zijn.

 Zij is van oordeel dat er thans een constitutionele crisis in ons land heerst die niet met de beschikbare rechtsmiddelen kan worden opgelost en is daarom genoodzaakt om met deze verklaring niet alleen de Hoge Colleges van Staat, maar ook het gehele volk van Suriname hiervan in kennis te stellen.

  Paramaribo, 28 juli 1997

 DE REKENKAMER VAN SURINAME

 w.g. H.O. Prade, Voorzitter

J. Sheombar, Lid

R.S. Marlan, Plv. Lid

 Noch de Regering noch de Nationale Assemblée heeft laten merken dat zij doordrongen is van de ernst van de vaststelling door de Rekenkamer.

De Regering bleef volharden in haar houding om de Rekenkamer essentiële stukken te onthouden en om ambtenaren te verbieden inlichtingen te verschaffen.

Derhalve heeft de Rekenkamer gedurende het grootste deel van het verslagjaar nauwelijks kunnen functioneren.

 Voor nadere inlichtingen omtrent de omstandigheden die hebben geleid tot de weigerachtige houding van de Regering wordt verwezen naar de paragrafen 4.2 t/m 4.7.

 

 1.3 NATIONALE ASSEMBLÉE ZEGT VERTROUWEN IN VOORZITTER OP

 De aanwezigheid van de Voorzitter van de Rekenkamer op een openbare vergadering van de Nationale Assemblée van 13 juni 1997 was de aanleiding voor een motie ingediend door de leden W.R. Roseval, H.F.C. Watson, S.D. Ramkhelawan, R.J. Sital, J. Djojokasiran en L.Tewari om het vertrouwen in hem op te zeggen.

 De motie die als curiosum hiervoor is afgedrukt, deed de Rekenkamer besluiten om op 16 juni 1997 de Voorzitter van de Nationale Assemblée o.m. het volgende te schrijven:

 "Zij grijpt deze gelegenheid aan om de volgende opmerkingen te maken over een bij U in de openbare vergadering van vrijdag 13 juni 1997 ingediende motie die besluit om het vertrouwen in de Voorzitter van de Rekenkamer op te zeggen:

 1. De artikelen 149 t/m 152 van de Grondwet handelen specifiek over de Rekenkamer en zeker niet artikel 153 dat in de eerste overweging van de motie is vermeld.

2. De Rekenkamer heeft nimmer enige klacht van de Regering of van een individueel lid van de Regering ontvangen over haar functioneren of over het functioneren van haar voorzitter. De Regering heeft haar ook nimmer op de hoogte gesteld dat zij niet langer met haar voorzitter kan samenwerken.

Zij is derhalve verbaasd over het gestelde in de tweede en derde overweging van de motie.

3. De huidige Rekenkamervoorzitter beweert nimmer een gesprek te hebben gehad met de Voorzitter van de Nationale Assemblée en fractieleiders over enig "onacceptabel gedrag". Van een voorwaardelijke herbenoeming tot Voorzitter van de Rekenkamer kan er derhalve geen sprake zijn. De Rekenkamer tekent hierbij aan dat zo'n voorwaardelijke benoeming in strijd is met de ambtseed en met de onafhankelijkheid van de Rekenkamer.

U zou de Rekenkamer verplichten als U eraan zou meewerken dat de indieners van de motie de dag, de plaats en de aanwezigen van de bijeenkomst genoemd in de vierde overweging van de motie aan haar bekendmaken.

4. In de laatste (vijfde) overweging van de motie wordt melding gemaakt van een optreden van de Voorzitter van de Rekenkamer tijdens Uw vergadering van 13 juni 1997. Aangezien de Voorzitter van de Rekenkamer zich niet bewust is van enig optreden tijdens Uw vergadering, wat volgens hem overigens niet mogelijk is en waartoe hij ook niet bevoegd is, verzoekt de Rekenkamer U om het daarheen te leiden dat zij wordt geinformeerd over het optreden van haar voorzitter.

 Gelet op de ernst van het voorgaande verzoekt de Rekenkamer U om een spoedig antwoord. Zij blijft steeds bereid om U en/of Uw leden individueel nadere informatie te verschaffen over alle kwesties die te maken hebben met het financiële beheer van de overheid, de wettelijke bepalingen ter zake en over het functioneren en de taakopvatting van de Rekenkamer."

 De motie werd zonder enige wijziging c.q.verbetering met 25 stemmen vóór en 13 stemmen tegen op 17 juli 1997 door de Nationale Assemblée aangenomen.

 

1.4 UITNODIGING DNA NIET AANVAARD

 De uitnodiging van de Voorzitter van de Nationale Assemblée om een buitengewone openbare vergadering bij te wonen werd door de Rekenkamer niet aanvaard. In haar brief van 30 september 1997 aan de Voorzitter van de Nationale Assemblée schreef zij o.m. het volgende:

"Met gemengde gevoelens hebben de leden van de Rekenkamer van Suriname Uw uitnodiging ontvangen ter bijwoning van de Buitengewone Openbare Vergadering van Uw college op 1 oktober a.s. ter gelegenheid van de uiteenzetting van het door de Regering te voeren beleid en de aanbieding van de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 1998.

Uiterlijk heeft U in overeenstemming met de hoffelijkheid gehandeld, maar de Nationale Assemblée is evenwel voorbijgegaan aan de essentie van de staatsbegroting, het budgetrecht van de Nationale Assemblée en het bestaan van de Rekenkamer.

 Aangezien de Rekenkamer niet wenst mee te werken aan een uiterlijk vertoon zonder inhoud, hetgeen de indruk zou kunnen doen ontstaan dat de door haar geconstateerde constitutionele crisis is opgelost, deelt zij U mede dat haar leden geen gevolg zullen geven aan Uw uitnodiging.

 Wellicht ten overvloede brengt de Rekenkamer in herinnering dat zij op 28 mei j.l. bij de Nationale Assemblée erop heeft aangedrongen om de Regering ertoe te brengen om aan haar rechtsplicht te voldoen. Daarbij werd uitgebreide informatie verschaft om aan te tonen dat de Regering moedwillig de controle op haar financieel beheer in het algemeen en op de begrotingsuitvoering in het bijzonder, belemmert.

Ofschoon het voorgaande een schending van de Grondwet en andere wetten is en tevens in flagrante strijd is met de ambtseed van elke regeringsfunctionaris, heeft U met Uw brief van 17 juni 1997 No. 1261 doen weten dat de Nationale Assemblée bij haar discussies nog niet tot een reactie is gekomen.

De Rekenkamer heeft de ernst van de situatie benadrukt door op 28 juli j.l. een openbare verklaring uit te geven waarin wordt gemeld dat de Regering de Grondwet voor een belangrijk deel buiten werking heeft gesteld en dat er thans een constitutionele crisis heerst die niet met de bestaande rechtsmidddelen kan worden opgelost. Helaas moet de Rekenkamer vaststellen dat de crisis nog steeds voortduurt.

Het zal U wel duidelijk zijn dat de Rekenkamer niet wenst mee te werken aan de schijn dat de grondwettelijke bepalingen t.a.v. de staatsbegroting door de Regering in acht worden genomen terwijl de Regering nog steeds haar grondwettelijke plicht verzaakt en de Nationale Assemblée zulks blijft gedogen."

 

1.5 ONDERHOUD MET DNA-COMMISSIE

 Op 14 november 1997 had de Rekenkamer een onderhoud met een ad hoc commissie van de Nationale Assemblée bestaande uit de heren Dr. R.W. Roseval, Mr. R. Randjietsingh en S.D. Ramkhelawan die tot taak had een profielbeschrijving te maken van de functies van voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van de Rekenkamer van Suriname.

De voorzitter zette bij die gelegenheid uiteen dat de te stellen eisen voortvloeien uit de taken van de Rekenkamer die bij wet zijn vastgesteld. In het bijzonder werd verwezen naar artikel 26 van de Rekenkamerwet.

De Rekenkamer heeft evenwel opgemerkt dat er in het parlement en in de Regering geen eenstemmigheid bestaat over de bevoegdheden van de Rekenkamer. Zij heeft in ieder geval zich steeds weer verplicht gevoeld om erop te wijzen dat overheidsfunctionarissen in strijd met de wet wettelijke regelingen negeren of uitleggen. Aangezien het standpunt van de Rekenkamer voldoende bekend moet worden geacht ligt het voor de hand dat de commissie andersdenkenden w.o. regeringsfunctionarissen en parlementsleden die zich in het verleden over de Rekenkamer hebben uitgelaten, raadpleegt.

De Rekenkamer is voorts van oordeel dat alle leden gelijkwaardig zijn en dat allen derhalve aan dezelfde vereisten moeten voldoen.

De huidige situatie waarbij er 1 lid voltijds en 2 leden deeltijds fungeren is in het licht van het voorgaande niet juist. Er is thans echter onvoldoende werk voor 3 voltijdse leden. Afgezien van de beperkte toegankelijkheid van de overheidsadministratie is er immers onvoldoende personeel om met de leden te werken.

 De Rekenkamer is van oordeel dat na de vrijblijvende losse opmerkingen die in de afgelopen periode in en buiten het parlement zijn gemaakt, thans een diepgaande politieke discussie over de plaats van de Rekenkamer in het staatsbestel nodig is. Hierbij dient dan ook rekening te worden gehouden met inzichten die internationaal gemeengoed zijn. Ons land is immers niet alleen onderdeel van de beschaafde wereld, maar het heeft zich bovendien ook aangesloten bij internationale organisaties en overeenkomsten hetgeen specifieke verplichtingen met zich meebrengt.

 

1.6 PUBLICATIES

 In de maand juli en augustus heeft de Rekenkamer een tiental publicaties in de krant doen verschijnen. Zij wenste daarmede het publiek in het algemeen en politici in het bijzonder van dienst te zijn bij de toen gevoerde discussie over de verhouding tussen de Regering en de Rekenkamer.

De artikelen zijn op diskette gratis ter beschikking gesteld van belangstellenden.

 Het Verslag 1996 en de krantenartikelen zijn te lezen via Internet: http:// www.parbo.com

Het is de bedoeling dat ook het onderhavige verslag op dezelfde wijze is te raadplegen.

 

 1.7 INTERNATIONALE CONTACTEN

 1.7.1 Vertegenwoordiging op het vierde CAROSAI congres

Op het vierde congres van de Caribbean Organisation of Supreme Audit Institutions (CAROSAI), de Caribische organisatie van rekenkamers, dat van 17 t/m 20 maart te Georgetown, Guyana werd gehouden, werd ons land vertegenwoordigd door de voorzitter en het plv. Lid Marlan. Het was de eerste keer dat ons land sedert zijn toetreding in 1990 op een CAROSAI congres was vertegenwoordigd.

Carosai heeft 22 leden w.o. alle 14 leden van CARICOM. Aruba, Haiti en Suriname zijn de enige niet-Engelssprekende leden.

Op het congres waren 17 leden vertegenwoordigd terwijl een aantal internationale organisaties waarnemers had gestuurd.

Bij de opening van het congres werd het woord o.a. gevoerd door de President van Guyana en door een vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van CARICOM die verhinderd was.

 Tijdens de plenaire vergadering van 17 maart bracht de Secretaris Generaal, de Auditor General van Trinidad and Tobago, verslag uit over de afgelopen bestuursperiode van 3 jaar terwijl de Project Director rapporteerde over de opleidingsactiviteiten die t.b.v. de leden worden bekostigd door de Inter-American Development Bank en de Caribbean Development Bank.

Op de plenaire vergadering van 20 maart werd een nieuw Executive Council onder leiding van de Auditor General van Guyana gekozen.

Er werd ook bepaald dat het volgende congres in het jaar 2000 op St. Kitts Nevis wordt gehouden.

 Het thema van het congres was "Strengthening the democratic process and good governance through greater accountability".

In aansluiting op het congres werd op 21 maart een eendaags seminar "Government in transition" gehouden.

 Gedurende 3 dagen werden 11 technische zittingen gehouden over onderwerpen die waren voorbereid door de daartoe uitgenodigde personen van diverse landen die op een enkele uitzondering na ook de inleidingen hielden.

De discussies leidden tot aanbevelingen die op de plenaire zittingen werden aangenomen.

Enkele van deze aanbevelingen zin:

 . - Rekenkamers dienen erop toe te zien dat bij privatiseringen de verkoop van overheidseigendommen geschiedt op basis van openbare aanbestedingen, gedegen vaststellingen van de waarde en in overeenstemming met de wet.

- Rekenkamers dienen de ondersteuning van de publiciteitsmedia in te roepen om resultaten van onderzoekingen en de samenhangende aanbevelingen en conclusies onder de aandacht van het publiek te brengen mede om de openbare verantwoording van het gebruik van gemeenschapsgelden te bevorderen. Onderzoeksrapporten dienen nadat zij aan het parlement zijn aangeboden,beschikbaar te worden gesteld aan de media en het publiek.

- In aanvulling op de jaarlijkse rapporten dienen de rekenkamers over belangrijke onderwerpen aan het parlement te rapporteren om zich te verzekeren van vroegtijdige aandacht van het parlement en het publiek.

- Rekenkamers dienen steeds het verband tussen democratie en de publieke verantwoording van overheidsgeld en doorzichtigheid voor ogen te hebben en daarom het parlement actief te steunen om een goed staatsbestuur te bevorderen.

- Rekenkamers dienen de recente ontwikkelingen op het gebied van fraude-onderzoek te volgen en maatregelen te treffen om zich geschikt te maken om fraude te voorkomen, vast te stellen en daarover te rapporteren.

De vervolging en het crimineel onderzoek zijn evenwel een aangelegenheid van de politie en het openbaar ministerie

 Na het congres werd op vrijdag 21 maart 1997 een eendaags seminar gehouden met als titel "Government in Transition". Dit seminar werd verzorgd door CCAF/FCVI, een in 1980 opgerichte Canadese stichting die d.m.v. research en onderwijs kennis over doelmatig overheidsbestuur en controle wenst te bevorderen. Zij wordt ondersteund door de federale regering en de provinciale regeringen van Canada en de openbare accountants.

 Aandacht werd o.a. besteed aan de wijze waarop de effectiviteit van een organisatie kan worden bepaald. Het volgende beoordelingsmodel van 12 punten dat door een panel van deskundigen is opgesteld kan daarbij van dienst zijn:

1. BESTUURLIJKE ORIENTATIE

Weet een ieder wel wat er moet worden gedaan?

2. RELEVANTIE

Is datgene waarmee wij bezig zijn nog zinvol?

3. GESCHIKTHEID

Doen wij datgene wat wij doen wel op de beste manier?

4. BEREIKT SUCCES

Welke gestelde doelen zijn bereikt en welke niet. In welke mate?

5. ACCEPTATIE

Wat denkt het publiek ervan?

6. NEVENEFFECTEN

Welke onbedoelde effecten doen zich voor? Zowel positieve als negatieve.

7. KOSTEN EN PRODUCTIVITEIT

Hoe ontwikkelen deze zich? Hoe is dat gesteld met vergelijkbare organisaties?

8. REACTIEVERMOGEN

Hoe anticipeert en hoe reageert de organisatie op veranderingen?

9. FINANCIËLE RESULATEN

Welke zijn deze en wat is de waarde van de bezittingen t.o.v. de verplichtingen?

10. WERKOMGEVING

Zijn de medewerkers toegewijd? Tonen zij initiatief? Hoe staat het met de zekerheid en carrieremogelijkheden?

11. BESCHERMING VAN BEZITTINGEN

Hoe goed worden de belangrijkste bezittingen beschermd? Dit betreft niet alleen materiële bezittingen, maar ook overeenkomsten, personeel en kennis.

 

12. MONITORING EN VERSLAGGEVING

Beschikt iedereen over de informatie die hij nodig heeft? Wordt die informatie ook gebruikt? Wordt daardoor de juiste actie ondernomen?

 Er werd uiteengezet waarom beschikbare bestuurlijke informatie de volgende punten moet omvatten:

 1. Een keuze uit verschillende opties moet mogelijk gemaakt worden.

2. Vergelijking van intenties met het resultaat.

3. Toekomstvisie.

4. Zichtbaarheid van beleid en organisatie.

5. Erkenning van tijdschema's.

6. Mogelijkheid om te vergelijken.

7. Begrijpelijkheid zonder oversimplificatie.

8. Mogelijkheid om:

- belang van informatie vast te stellen

- functionering van organisatie vast te stellen

- juiste beslissingen te nemen

- verantwoording aan belanghebbenden te verstrekken.

 Zoals gebruikelijk stuurde de Rekenkamer een exemplaar van het verslag over het CAROSAI-congres aan de Nationale Assemblée en de Regering.

 

1.7.2 Internationale organisaties

 In het verslagjaar zijn de contributiebetalingen aan de wereldorganisatie van rekenkamers (INTOSAI) en aan de Caribische organisatie van rekenkamers (CAROSAI) tot en met het jaar 1996 ingelopen. De Rekenkamer heeft met voldoening geconstateerd dat de Regering heeft besloten dat contributie voortvloeiende uit het lidmaatschap van internationale organisaties voortaan op de begroting van de betreffende dienst of afdeling van de overheid zelf dient te worden opgebracht en niet meer ten laste komt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

 2 DE ORGANISATIE VAN DE REKENKAMER

 2.1 ALGEMEEN

 Sedert november is het grootste deel van het personeel van het Directoraat Algemene Zaken in het kantoor van de Rekenkamer gehuisvest omdat de huisvesting van het directoraat onhoudbaar was geworden en er op korte termijn geen adequate oplossing kon worden gevonden.

Op grond van solidariteit en de optimale benutting van de faciliteiten van de overheid besloot de Rekenkamer hulp te verlenen vooral ook omdat het, gelet op de houding van de Regering en de Nationale Assemblée, niet is te verwachten dat de Rekenkamer binnen afzienbare termijn zal kunnen beschikken over de gewenste personeelsformatie en materiële uitrusting.

 

 2.2 PERSONEELSSITUATIE

 Per 1 februari 1997 kreeg het kantoor van de Rekenkamer de beschikking over een bode die tevens als telefonist optreedt.

Twee personen traden respectievelijk op 1 april en 1 mei 1997 in dienst om met onderzoekwerkzaamheden te worden belast. Mede door de ontstane perikelen met de Regering zijn betrokkenen evenwel onvoldoende ingewerkt om zelfstandig te worden ingezet.

Aan het einde van het verslagjaar waren er door de gemelde mutaties 9 personen in dienst van de Rekenkamer.

 In het afgelopen jaar beschikte de Rekenkamer niet over een persoon aan wie de dagelijkse leiding van haar kantoor is opgedragen. De Nationale Assemblée heeft nog steeds geen persoon voorgedragen ter benoeming tot Secretaris van de Rekenkamer van Suriname.

 

 3 DE ORGANISATIE VAN DE OVERHEIDSDIENST

 3.1 ALGEMEEN

Zowel in de Regeringsverklaring 1996-2001 als in de redevoering van de President van de Republiek ter gelegenheid van de indiening van de ontwerp-staatsbegroting voor het dienstjaar 1998, heeft de President van de Republiek belangrijke bestuursvoornemens met betrekking tot de organisatie van de overheidsdienst, het personeelsbeleid van de overheid en het financiële beheer van de overheid bekendgemaakt, zonder dat deze een verdere uitwerking hebben gekregen. Tijdens werkbezoeken van de President aan overheidsdiensten werden ingrijpende reorganisatieplannen aangekondigd die op korte termijn o.a. een betere dienstverlening aan het publiek, afschaffing van langdurige bureaucratische procedures en (onzichtbare) controle op arbeidsprestaties tot gevolg moesten hebben. Het is bij aankondigingen gebleven.

Het niet op te merken verband tussen wettelijke voorschriften en de wel genomen maatregelen en publieke uitspraken heeft evenwel de onzekerheid en onbegrip in het overheidsapparaat vergroot, hetgeen tot lijdzaamheid leidt en corruptie bevordert.

 In de Regeringsverklaring is de volgende passage opgenomen:

 "De samenleving staat onder een grote dreiging van een morele crisis, waar normloosheid en eigen richting gevolgen van zijn. Deze morele crisis wil de Regering wegwerken door middel van een programma van moreel herstel."

 In de redevoering van de President van de Republiek die ter gelegenheid van de aanbieding van de ontwerp-begroting 1998 op 1 oktober 1997 werd uitgesproken zijn o.m. de volgende passages opvallend:

 " Openbaarheid van bestuur als een van de beginselen van een democratisch beslissings- en bestuurssysteem zal bijzondere beleidsaandacht krijgen en bij de bedoelde openbaarheid gaat het om inzichtelijkheid en beïnvloedbaarheid."

 "De Regering zal overgaan tot het instellen van een staatsombudsman, een onderzoeksautoriteit wiens taken en bevoegdheden vooralsnog in een staatsbesluit zullen worden vastgelegd.

De taak van de ombudsman zal in de aanloopfase zijn het onderzoeken van klachten over en bezwaren tegen de wijze van waarop het bestuur of het ambtelijk apparaat zich in een concreet geval heeft gedragen jegens een klager. Een dergelijk onderzoek zal zowel op verzoek als op eigen initiatief worden ingesteld."

 In de Regeringsverklaring worden ook een stringente toepassing van de Personeelswet en begrotingsdiscipline in het vooruitzicht gesteld. Ook zullen corruptieve praktijken niet worden geduld in de overheidsorganisatie terwijl met het oog op de morele heropvoeding een Wet op de Integriteit zal worden voorbereid.

 De Rekenkamer stelt vast dat ondanks het voorgaande, de President van de Republiek weinig respect betoont aan normen die in de wetten des lands zijn opgenomen en dat hij een eigen richting opgaat die niet wordt getoetst aan de mening van bestaande overheidsorganen. Hiermede wordt de beoogde decentralisatie van bestuur belemmerd en de reeds bestaande onzekerheid bij de landsdienaren vergroot.

De Rekenkamer is van oordeel dat ofschoon artikel 99 van de Grondwet als volgt luidt:

 "De uitvoerende Macht berust bij de President"

 de President niet het recht bezit om de wettelijk vastgestelde bevoegdheden van overheidsorganen of -functionarissen terzijde te stellen. Eventuele presidentiële opdrachten in dat kader zijn in strijd met de wet.

 De Rekenkamer heeft herhaaldelijk vastgesteld dat overheidsfunctionarissen bewust in strijd met wettelijke voorschriften hebben gehandeld en als verweer verwijzen naar de opdrachten die zij van hogerhand hebben ontvangen. Het komt niet alleen bij subalterne ambtenaren voor dat zij uit angst voor represaillemaatregelen kritiekloos doen wat hen wordt opgedragen. Dit is ook het geval bij ministers die o.a. tegen hun eigen opvattingen in, nog steeds de wettelijk verplichte informatie aan de Rekenkamer achterhouden. Deze situatie is algemeen bekend in de samenleving en is niet bevorderlijk voor de hoge achting die overheidsorganen en

-functionarissen zouden moeten genieten. Zij draagt bij tot het morele verval dat de Regering zelf heeft geconstateerd.

De Rekenkamer is van oordeel dat er niets loos is met de aloude morele normen zoals die in de Inleiding van dit verslag zijn vermeld, die zijn algemeen bekend en geaccepteerd, het zijn degenen die erop moeten toezien dat deze normen worden gerespecteerd die tekort schieten.

"De introductie van morele waarden in het lesprogramma binnen het formele onderwijs"zoals in de Regeringsverklaring 1996-2001 aangekondigd, raakt derhalve de essentie van het probleem niet.

 Ofschoon elke rekenplichtige landsdienaar wettelijk verplicht is de gevraagde inlichtingen aan de Rekenkamer te verschaffen zonder dat daarvoor toestemming van een hoger geplaatste is vereist, heeft de Regering toch opdracht gegeven die niet te verstrekken.

Aangezien de Rekenkamer niet de mogelijkheid heeft om plichtsgetrouwe landsdienaren te beschermen tegen de toorn van een minister of van de Vice-President of President van de Republiek moet zij grote omzichtigheid betrachten om de bron van haar inlichtingen niet prijs te geven. Deze sfeer van angst binnen de overheidsorganisatie staat in schrille tegenstelling tot de beoogde openbaarheid van en participatie in het bestuur.

Overheidsautoriteiten die wettelijke bevoegdheden bezitten, oefenen deze niet meer zelfstandig uit, waardoor de in de staatsinrichting opgenomen decentralisatie van bestuur wordt ondergraven. Zij wensen immers niet dat aan hun loyaliteit aan het bevoegde gezag wordt getwijfeld.

 Het voornemen van de Regering om het instituut van ombudsman in het leven te roepen is niet in overeenstemming te brengen met de boycot van de Rekenkamer die geen vrijblijvende tegemoetkoming van de Regering aan het volk is, zoals de te benoemen ombudsman, maar een verplichte fundamentele instelling in een democratisch land.

Het voornemen komt derhalve cynisch en ongeloofwaardig over als de Regering niet eens ertoe is te brengen om haar grondwettelijke plicht t.o.v. de Rekenkamer te erkennen.

 De Rekenkamer is van oordeel dat in de organisatie van de overheidsdienst hoogdravende taal en onvoldragen ideeën moeten worden vermeden. Corruptie en ondoelmatigheid worden immers juist bevorderd in een klimaat van onduidelijkheid en inconsequentie.

In haar Verslag 1988 had de Rekenkamer ter ondersteuning van het streven naar een doelmatig en corruptievrij overheidsapparaat dat controleerbaar is onder het motto :"KISS" (Keep it simple stupid), een aantal eenvoudige maatregelen voorgesteld. Zij acht het dienstig om deze weer onder de aandacht te brengen:

 "1. Verwijder personen die door eigen opzet of door onwetendheid of door plooibaarheid in het verleden hebben bijgedragen aan ernstige benadeling van de staat uit posities waar de kans op hetzelfde soort feilen bestaat.

 2. Het is internationaal vastgesteld dat er een nauwe overeenstemming bestaat tussen de kwaliteit van een diensthoofd en die van het personeel dat onder hem dient. Benoem derhalve alleen eerlijke en toegewijde personen in leidinggevende posities die als voorbeeld kunnen dienen.

 3. Geef meer bekendheid aan bestaande voorschriften. Hoe beter en hoe meer ze bekend zijn, hoe minder de kans op misbruik.

 4. Vergroot de vakkennis van het personeel door korte interne cursussen op elk niveau waardoor de aanspreekbaarheid wordt vergroot en de kans op manipulatie wordt verkleind.

 5. Bestraf elk corruptief gedrag, geef elk strafbaar feit aan bij de justitie. Beloon voorbeeldig gedrag.

 6 Verbeter het toezicht op de plaatsen waar wantoestanden zijn gemeld en eis een periodieke verslaggeving.

 7. Haal bekende combines van personen uit elkaar door overplaatsing en zorg voor een gezond rouleersysteem in het overheidsapparaat waardoor onregelmatigheden eerder aan het licht kunnen komen.

 8. Geef duidelijkheid wanneer regelingen elkaar tegenspreken, hiaten vertonen of voor meer dan één uitleg vatbaar zijn.

 9. Vereenvoudig zoveel mogelijk procedures en leg deze vast.

 10. Sta erop dat wettelijke voorschriften consequent worden nageleefd en dat niet, welke functionaris dan ook, deze toetst op billijkheid en redelijkheid alvorens ze toe te passen."

 

3.2 VOORSTELLEN TER VERSTERKING VAN DE RECHTSSTAAT

In het afgelopen dienstjaar zijn vele tekortkomingen in de regelgeving en de organisatie van de democratische rechtsstaat Suriname zo duidelijk gebleken dat het een algemene wens is dat spoedig de nodige voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat het vertrouwen van de burger in de juiste functionering van de rechtsstaat nog meer afneemt.

 Juist omdat de Rekenkamer in het openbaar heeft gesteld dat de door haar vastgestelde constitutionele crisis niet met de bestaande rechtsmiddelen kan worden opgelost (zie paragraaf 1.2), meent zij dat het opportuun is om weer de aandacht te vragen voor enkele van haar eerdere voorstellen m.b.t. de organisatie van de staat waarop nimmer een reactie van de Regering of de Nationale Assemblée is gevolgd:

 1. De Rekenkamer meent dat de strafrechtelijke vervolging van politieke ambtsdragers niet afhankelijk moet worden gesteld van de goedkeuring van de Nationale Assemblée zoals bepaald in artikel 140 van de Grondwet. De toepassing van het recht moet immers niet afhankelijk worden gesteld van de uitkomst van politieke koehandel of van een toevallige politieke meerderheid.

De toepassing van het opportuniteitsbeginsel in strafzaken moet ook in het geval van politieke ambtsdragers aan de onafhankelijke Procureur Generaal en de zittende magistratuur worden overgelaten.

De in het grondwetsartikel genoemde wet dient spoedig tot stand te komen.

2. De onafhankelijkheid van de Procureur Generaal is erbij gebaat wanneer hij de staat niet in rechte vertegenwoordigt zoals bepaald in artikel 146 van de Grondwet. Op 19 mei 1995 heeft de Rekenkamer hierover o.m. het volgende aan de Minister van Justitie en Politie geschreven:

 "Aangevochten beslissingen of tekortkomingen van de overheid hebben uiteraard te maken met de politieke verantwoordelijkheid van de Regering. Zij dient de consequenties daarvan te aanvaarden. De Procureur Generaal is de onafhankelijke constitutioneel aangewezen functionaris die belast is met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het is in strijd met zijn onafhankelijkheid als hij door de Regering in civiele kwesties wordt geïnstrueerd om het gevoerde overheidsbeleid voor de rechter te verdedigen."

 In de genoemde brief heeft de Rekenkamer de aandacht gevestigd op het feit dat de Procureur Generaal nauwelijks enige invloed kan laten gelden op de standpunten die op de verschillende ministeries, die veelal eigen juridische adviseurs in dienst hebben, worden ingenomen. De genoemde adviseurs hebben geen verantwoording aan de Minister van Justitie en Politie of aan de Procureur Generaal af te leggen, maar handelen en adviseren naar eigen inzicht.

De Rekenkamer heeft in verband met de gewenste voorspelbaarheid van beleid en de rechtseenheid binnen de overheidssfeer, voorgesteld dat er op het Ministerie van Justitie en Politie een verplichte coördinatie van het beleid in juridische aangelegenheden plaatsvindt. Voorts zouden specifieke rechtsgedingen, zoals die te maken hebben met het personeelsbeleid van de Regering, niet zonder de bemoeienis van het betreffende beleidsministerie mogen worden gevoerd.

De Rekenkamer stelt thans voor om de functie van Staatsadvocaat in te voeren. Deze functionaris verbonden aan het Ministerie van Justitie en Politie vertegenwoordigt dan de staat in rechte en coördineert het beleid in juridische aangelegenheden. Hij ziet erop toe dat de overheid niet door veronachtzaming van wettelijke voorschriften en eigen regels nodeloos in diskrediet wordt gebracht of wordt benadeeld, geen elkaar tegensprekende standpunten inneemt, geen onnodige en kostbare processen voert en de op haar betrekking hebbende vonnissen stipt uitvoert en laat uitvoeren.

 3. Het is steeds weer gebleken dat de overheid, al dan niet opzettelijk, wettelijke regelingen negeert en in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Regeringsfunctionarissen hebben vaak eigenzinnige opvattingen over wettelijke bepalingen. Dit is vooral opvallend bij de verlening van vergunningen en het toekennen van rechten. Constatering van het verschijnsel heeft evenwel geen correctie tot gevolg aangezien de rechtsmiddelen ontoereikend zijn en betrokkenen niet in rechte worden aangesproken. De burger voelt zich machteloos omdat hij meestal geen toegang heeft tot de gewone rechter.

De Rekenkamer acht het derhalve noodzakelijk dat op korte termijn de wet die aangeduid is in artikel 135 van de Grondwet totstandkomt waardoor de genoemde administratieve rechters kunnen worden benoemd.

Personen en organen, zoals de Rekenkamer, zouden dan de mogelijkheid moeten worden geboden om de naleving van wettelijke procedures en bepalingen bij de rechter af te dwingen.

 

 3.3 WERKVERGUNNINGEN AAN ILLEGALE GOUDDELVERS

 Mede naar aanleiding van mededelingen van de President van de Republiek in de Nationale Assemblée (zie paragraaf 4.3) die vreemd voorkwamen, schreef de Rekenkamer op 18 april 1997 o.m het volgende aan de Minister van Arbeid:

 "Volgens het Decreet Werkvergunning Vreemdelingen (S.B. 1961 No. 162) wordt een door een vreemdeling ingediende aanvrage voor een werkvergunning niet in behandeling genomen wanneer het een vreemdeling betreft die niet beschikt over een vergunning tot verblijf of deze niet heeft aangevraagd.

 Het is de Rekenkamer uit onderzoek en mede uit aan de pers verstrekte gegevens door de Braziliaanse ambassade evenwel gebleken dat illegale Braziliaanse gouddelvers, al dan niet door overheidsfunctionarissen daartoe aangespoord, na storting van een bedrag van US$ 200,= bij de Centrale Bank van Suriname, van het betreffende diensthoofd van Uw ministerie een werkvergunning verkrijgen zonder dat zij beschikken over een verblijfsvergunning afgegeven door de Minister van Justitie en Politie of een aanvrage daartoe hebben gedaan.

Het is voorts gebleken dat niet altijd wordt voldaan aan de verplichting dat de aanvrage van een werkvergunning mede wordt gedaan door de werkgever zoals vereist in artikel 3 van het aangehaalde decreet. Hierom is het dan niet mogelijk om, zoals vereist, in de werkvergunning de naam van de werkgever en de onderneming waar mag worden gewerkt, te vermelden.

 De Rekenkamer verzoekt U haar opheldering over deze kwestie te verschaffen en haar mede te delen aan hoeveel personen op de beschreven wijze een werkvergunning is verleend. Verder wenst zij te weten op welke rekening bij de Centrale Bank van Suriname de registratiegelden worden gestort en op welke wijze de vereiste controle plaatsvindt.

Zij verzoekt U voorts om erop toe te zien dat de wetten van het land worden gerespecteerd en Uw ambtenaren geen opdrachten krijgen die in strijd met de wet zijn. Zij wijst U voorts op de rechtsongelijkheid die door de gemelde onrechtmatige handelingen is ontstaan, hetgeen als zeer onbillijk wordt ervaren door andere vreemdelingen die wel op reguliere wijze een werkvergunning hebben aangevraagd en die toch niet krijgen.

 Tenslotte wordt U verzocht om in overeenstemming met de wet en de beginselen van de rechtsstaat een billijke procedure te (laten) vaststellen teneinde het door de Regering gewenste resultaat te verkrijgen."

 De minister antwoordde niet en het is de Rekenkamer niet gebleken dat de niet-rechtmatige verlening van werkvergunningen is stopgezet. Haar is ook niets gebleken van de Sf 16 miljard die volgens mededelingen van de President van de Republiek aan de Nationale Assemblée gedaan, van de gouddelvers die op de door hem aangegeven wijze worden geregistreerd, zouden worden ontvangen.

 

 3.4 VREEMDELINGENWET NOG STEEDS NIET VAN KRACHT

 In verband met de mededeling van de Minister en Justitie en Politie dat hij een commissie had benoemd om te adviseren bij de toelating en naturalisatie van in het bijzonder Chinezen teneinde de gang van zaken bij de toelating en/of naturalisatie van deze groep personen doorzichtig te maken, schreef de Rekenkamer op 21 april o.m. het volgende aan de minister:

 "De Rekenkamer wijst U erop dat de onduidelijkheid die ook t.a.v. van andere groepen bestaat echter aan de overheid zelf is te wijten. Het is derhalve van belang dat U in de eerste plaats binnen het overheidsapparaat de bestaande tekortkomingen laat opheffen.

De Rekenkamer verwijst U in dit verband naar haar schrijven dd. 18 april 1997 No.1046.97 gericht aan de Minister van Arbeid, dat U in kopie werd toegezonden. In genoemd schrijven vraagt zij de aandacht voor de niet rechtmatige verstrekking van werkvergunningen aan Brazilianen die al dan niet illegaal in het land vertoeven. Het is de Rekenkamer voorts gebleken dat aan de hand van de verstrekte werkvergunningen de Vreemdelingenpolitie een verblijf van maximaal zes maanden toestaat. Aan de Rekenkamer is medegedeeld dat deze wijze van werken met Uw instemming geschiedt, hetgeen zij evenwel wenst te betwijfelen.

 Andere vreemdelingen die in het ongewisse verkeren omtrent hun rechtspositie zijn de Haitiaanse vluchtelingen die reeds enige jaren in ons land vertoeven.

Voorts kan worden verwezen naar de vele Guyanezen in ons land die wachten op het resultaat van hun naturalisatie-aanvraag.

Aangezien de door U ingestelde commissie alleen uit personen van Chinese origine bestaat, is de indruk gewekt dat zij zich alleen zal bezighouden met de problemen waarmede de personen van die groep geconfronteerd worden, hetgeen rechtsongelijkheid tot gevolg kan hebben.

 In het parlement is veel kritiek uitgeoefend op de gang van zaken bij de toelating en naturalisatie van vreemdelingen. Daarbij is er steeds op verbetering aangedrongen zonder dat bekend is geworden welke veranderingen zijn aangebracht.

Verwezen wordt naar de heersende onwettige situatie waarbij de Militaire Politie i.p.v. de Vreemdelingenpolitie zich heeft belast met de controle op de binnenkomst van vreemdelingen. Deze situatie is niet bevorderlijk voor de normale rechtsgang in ons land.

In een officiële verklaring afkomstig van het Korps Politie Suriname dd. 13 april 1996 is zelfs vastgesteld dat de luchthaven Zanderij ontoegankelijk is voor de Politie waardoor het niet mogelijk was om een succesvol onderzoek naar vermoede misdrijven te plegen.

 Juist om rechtszekerheid en duidelijkheid in o.a. de boven genoemde kwesties te verschaffen werd de Vreemdelingewet 1991 (S.B. 1992 No. 3) totstandgebracht. Hiermede zou ook worden tegemoet gekomen aan de internationale verdragen t.a.v. vluchtelingen.

De Rekenkamer is er daarom zeer verbaasd over dat deze wet nog steeds niet in werking is gesteld ofschoon zowel de Regering als de Nationale Assemblée haar dringend gewenst achtten.

Zij wenst gaarne te vernemen welke vorderingen de door U ingestelde commissie ter voorbereiding van de invoering van de Vreemdelingenwet heeft gemaakt en tot welke conclusies de Regering mede naar aanleiding daarvan is gekomen.

 Ondertussen is vernomen dat in strijd met de verklaring van de Regering tijdens de behandeling van de wet in de Nationale Assemblée, de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken van Uw ministerie door U thans in status achteruit is gesteld hetgeen o.a. ertoe heeft geleid dat het voormalige afdelingshoofd uit die functie is ontheven om plaats te maken voor een waarnemer van wie de rechtspositie niet duidelijk is."

 De minister antwoordde niet.

 

 3.5 VERWARRING SCHEPPENDE REORGANISATIE VAN KABINET VAN DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK

In het staatsbesluit van 6 november 1996 (S.B. No. 54) houdende vormgeving van wettelijke regelingen, staats- en bestuursbesluiten is als nieuw bestuursbesluit geïntroduceerd het presidentieel besluit dat de President neemt "ingevolge de door de Grondwet aan hem gegeven bevoegdheid als executief Staatshoofd".

Een resolutie is een besluit van de President genomen "ter uitoefening van een bij een wettelijke regeling aan hem toegekende bevoegdheid". Staatsbesluiten, presidentiele besluiten en resolutie worden uitsluitend door de President ondertekend. Ook op deze wijze wenste de President overeenstemming te bereiken met zijn positie als Staatshoofd ingevolge de Grondwet.

 Met hetzelfde argument werd het Kabinet van de President van de Republiek bij staatsbesluit van 6 november 1996 (S.B. No. 55) ingesteld en de vroegere instellingsresolutie (S.B. 1988 No. 40) ingetrokken.

Bij resolutie van 26 november 1996 (S.B. No. 61) die de Rekenkamer op 2 december 1996 ontving, werd per 27 november 1996 de organisatiestructuur van het Kabinet van de President met de functionele eenheden en te vervullen functies vastgesteld.Volgens de resolutie bestaat het Kabinet van de President uit 6 onderdelen waarvan alleen de "administratieve structuur" onder een Directeur Administratieve Aangelegenheden van het Kabinet ressorteren. Van de overige bij name genoemde eenheden staan 10 hoofdcoördinatoren van de 7 "hoofdbeleidsgebieden" en de 3 "bijzondere beleidsgebieden" onder de directe leiding van de President.

Trouwens er is nadrukkelijk bepaald dat het "beleidskabinet van de President" dat gevormd wordt door de genoemde hoofdcoördinatoren onder de "persoonlijke leiding"van de President staat die daarbij wordt bijgestaan door de Secretaris-Generaal van het Kabinet.

De President geeft ook persoonlijk leiding aan het Bestuurskabinet dat wordt gevormd door 4 aangeduide bestuurscategorieën. Ook hier wordt de President bijgestaan door de Secretaris-Generaal.

 De kabinetsvoorlichting en de presidentiele woordvoering zijn eveneens rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de President hetgeen ook het geval is met de niet bij name genoemde en aan te trekken interne en externe adviseurs "waarbij de vigerende marktnormen zullen worden gehanteerd".

Aan de genoemde functionarissen die onder de persoonlijke leiding van de President staan kunnen nog worden gevoegd die van het Coördinatie-Centrum Inlichtingen en Veiligheid, de Presidentiële Protocollaire Aangelegenheden en het persoonlijk secretariaat van de President.

 In de praktijk is het evenwel volslagen onduidelijk hoe de organisatie van het Kabinet van de President eruit ziet. De functie van Directeur van het Kabinet van de President is met de nieuwe inrichting formeel afgeschaft, maar de positie van de persoon die sedert 1988 als zodanig fungeert, is niet nader geregeld. Zijn invloed op en bemoeienis met de gang van zaken is in ieder geval beperkt. De genoemde Secretaris-Generaal en de hoofdcoördinatoren zijn niet formeel benoemd. Personen waarvan bekend is dat zij op het Kabinet van de President werken en invloed uitoefenen zonder formeel daartoe te zijn aangewezen, komen zelfs niet eens op de salarislijst van het Kabinet voor.

In officiele mededelingen worden afdelingen van het Kabinet van de President genoemd zonder dat bekend is of en wanneer zij zijn ingesteld.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld op welke verantwoordelijkheden een functionaris kan worden aangesproken. De situatie is nog verwarrender aangezien de persoonlijke bemoeienis van de President onbeperkt schijnt te zijn.

 De verwarring werd nog groter toen één jaar na publicatie van de resolutie in het Staatsblad, in november 1997, een resolutie met dezelfde dagtekening, met dezelfde omschrijving en hetzelfde nummer in het Staatsblad (S.B. 1996 No. 61) verscheen. Kennelijk was het de bedoeling dat de nieuwe resolutie ongemerkt in de plaats kwam van de besproken resolutie. Het is echter gebruikelijk dat een gewenste wijziging openlijk en als zodanig wordt aangebracht. Eventueel kan een niet meer gewenst besluit worden ingetrokken en een nieuw daarvoor in de plaats worden gesteld.

Bij nadere beschouwing blijkt dat de tweede resolutie een ander nummer heeft dan de eerste en dat er enkele toevoegingen en weglatingen zijn gepleegd die het mogelijk maken dat niet bij name genoemde bureaus aan het Kabinet van de President worden toegevoegd. Het bureau dat wel is genoemd, maar dat eerder onbekend was, is dat van de "First Lady", dat daarmede op een onregelmatige wijze een formele basis heeft gekregen.

 Bij de invoering van het Besluit Instelling Kabinet van de President is nagelaten om het Besluit Taakomschrijving Departementen 1991 (S.B. No. 58) te wijzigen en met name de consequentie voor de taken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken te bezien.

Een gevolg van de nieuwe taakomschrijving van het Kabinet van de President zou moeten zijn dat de zorg van dit ministerie voor het administratiefrechtelijk verkeer binnen de overheid nader werd bepaald.

Aangezien staats- en bestuursbesluiten uitsluitend door de President worden ondertekend en voor resoluties en presidentiële besluiten het initiatief van een minister niet meer is vereist, ligt het organisatorisch voor de hand dat het Kabinet van de President met de zorg en distributie van deze besluiten wordt belast. Dit is evenwel niet het geval. De werkzaamheden worden als vanouds op het Ministerie van Binnenlandse Zaken verricht , maar met dit verschil dat de verantwoordelijkheid voor de totstandkoming en distributie van de besluiten onduidelijker is geworden. Daarnaast worden op het Kabinet van de President besluiten voorbereid en totstandgebracht waarvan het Ministerie van Binnenlandse Zaken totaal geen kennis draagt. Overleg en coördinatie worden niet gepleegd terwijl ook ernstige kritiek kan worden geleverd op de kwaliteit van de geproduceerde stukken.

 Trouwens het verschil tussen een "resolutie" en een "presidentieel besluit" schijnt zelfs op het Kabinet van de President niet duidelijk te zijn. Het enige Presidentieel Besluit dat de Rekenkamer heeft opgemerkt, dat van 10 juni 1997 (S.B. No. 60), dient volgens haar een resolutie te zijn aangezien daarmede een bevoegdheid op grond van Wet Toezicht Kredietwezen en niet op grond van de Grondwet is uitgeoefend. Een brief dd. 11 augustus 1997 hierover gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken is onbeantwoord gebleven.

 

 3.6 FRAUDE BIJ REGIONALE ORGANEN NOG STEEDS NIET OPGELOST

De Ministervan Regionale Ontwikkeling is er nog steeds niet in geslaagd om opheldering te verschaffen over de door de Rekenkamer geconstateerde massale fraude waarbij leden van de regionale vertegenwoordende organen o.a. hebben gedeclareerd voor vergaderingen die zij niet hebben bijgewoond. Zie paragraaf 3.3. van Verslag 1996.

Zelfs de aan de Districts Commissarissen verstrekte voorschotten ter uitbetaling van remuneraties aan de leden van de regionale organen over de periode januari 1995 t/m juni 1996 zijn nog niet alle verrekend en gecontroleerd. De Rekenkamer kan niet beschikken over bepaalde betaallijsten om te controleren of de personen die t.b.v. anderen hebben gedeclareerd ook zelf de gedeclareerde sommen hebben ontvangen.

 Reeds bij de door de Afdeling Comptabiliteit achteraf gepleegde formele controle op de betaalbaarstelling van de ingediende declaraties, is gebleken dat er een groot aantal betalingen ten onrechte is gepleegd. Van enige maatregel om de gelden terug te vorderen is niets gebleken.

De Rekenkamer heeft ook niets gemerkt van een materiële controle door het ministerie zelf naar de door de Rekenkamert geconstateerde bedriegerijen en van het door de Regering toegezegd justitieel onderzoek.