Verslag van de Rekenkamer van Suriname 1996

Report from the Audit Office of Suriname 1996

INLEIDING

1 ALGEMEEN

1.1 SAMENSTELLING VAN DE REKENKAMER

1.2 EERSTE VOORZITTER OVERLEDEN

1.3 NIEUWE REGERING

1.4 GESPREK MET GEKOZEN PRESIDENT

1.5 CONTACT MET DE NATIONALE ASSEMBLÉE

1.6 ONTSLAG EN BENOEMING LEDEN STAATSRAAD ONZORGVULDIG

1.7 INTERNATIONALE CONTACTEN

2 DE ORGANISATIE VAN DE REKENKAMER

2.1 ALGEMEEN

2.2 PERSONEELSSITUATIE

3 DE ORGANISATIE VAN DE OVERHEIDSDIENST

3.1 GEEN SANERINGSPLAN VOOR DE OVERHEIDSDIENST

3.2 ONVERMOGEN OF OPZET VAN BINNENLANDSE ZAKEN

3.3 MASSALE FRAUDE BIJ REGIONALE ORGANEN

3.4 VORDERINGEN VAN DE OVERHEID WORDEN NIET GEÏND

3.5 APOSTILLERING UITSLUITEND DOOR GRIFFIER HOF VAN JUSTITIE

3.6 GEEN VERSLAG VAN ONAFHANKELIJK KIESBUREAU

4 DE FINANCIËLE ADMINISTRATIE VAN DE STAAT

4.1 ALGEMEEN

4.2 GEEN EVALUATIE VAN SAP

4.3 STAATSBEGROTING 1996 GOEDGEKEURD DOOR DNA

4.4 VERONTRUSTENDE BEGROTINGSOVERSCHRIJDING

4.5 GEEN BEGROTINGSREKENINGEN AANGEBODEN

4.6 REGERINGSVERKLARING, ONTWIKKELINGSPLAN EN BEGROTING

4.7 AANKOOPBELEID VAN DE OVERHEID

4.8 AFWIJKINGEN VAN DE REGEL VAN OPENBARE AANBESTEDING

4.9 GELDLENINGEN EN GARANTIES VAN DE STAAT

4.10 DEKKINGSPERCENTAGE GULDEN

4.11 GEEN VERANTWOORDING SOCIAAL VANGNET BEKEND

4.12 BRUG OVER DE COPPENAMERIVIER

4.13 AUTOMATISERING BIJ OPENBARE WERKEN

4.14 VERTEGENWOORDIGINGEN IN HET BUITENLAND

5 HET PERSONEELSBELEID VAN DE OVERHEID

5.1 ALGEMEEN

5.2 BENOEMINGSNORMEN

5.2.1 Surinaamse nationaliteit

5.2.2 Onbesproken gedrag

5.3 GEEN BESTRAFFING VAN SLECHT GEDRAG

5.3.1 Beloning i.p.v. bestraffing

5.3.2 Onrechtmatige afwezigheid zonder gevolgen

5.3.3 Betaling van zowel salaris als pensioen niet opgemerkt

5.4 ONRECHTMATIG VERLEENDE GRATIFICATIE

5.5 GEBREKKIGE HERZIENING VAN AMBTENARENPENSIOENEN

6 HET BEHEER VAN STAATSEIGENDOMMEN

6.1 DOMEINGROND

6.2 BRUIKBARE DIENSTVOERTUIGEN VERKOCHTAAN EX-BEWINDSLIEDEN

6.3 OVERHEIDSBEZIT WORDT NIET GEÏNVENTARISEERD

6.4 STAATSTELEFOONREKENING

6.4.1 Nog steeds geen controle

6.4.2 Onrechtmatig telefoongebruik door DNA-leden

6.5 ONRECHTMATIGE HEFFING TERMINAL FEE


7 PARASTATALE INSTELLINGEN

7.1 ALGEMEEN

7.2 DE CENTRALE BANK VAN SURINAME

BIJLAGEN

1 STAATSBEGROTING 1996

2 UITBETAALDE SALARISSEN VIA CEBUMA

3 UITBETAALDE SALARISSEN BUITEN CEBUMA OM

4 STAATSTELEFOONREKENING NAAR DIRECTORATEN

INLEIDING

Ingevolge het bepaalde in artikel 151 van de Grondwet en artikel 29 van de Rekenkamerwet doet de Rekenkamer hierbij verslag van haar werkzaamheden in 1996.

Vanaf 1989 beschikt zij niet over een secretaris die door de President van de Republiek op voordracht van de Nationale Assemblée dient te worden benoemd. De rekenkamerverslagen werden evenwel steeds mede-ondertekend door een onderzoeksambtenaar die als secretaris fungeerde.

Nu deze functionaris niet meer in dienst is en er nog steeds geen secretaris is benoemd, is dit verslag alleen door de voorzitter ondertekend. Dit is nooit eerder gebeurd.

In 1989 werd begonnen om in het verslag de departementen van algemeen bestuur afzonderlijk te behandelen waardoor het naslaan werd vergemakkelijkt. Het is evenwel gebleken dat verkeerde conclusies worden getrokken uit het aantal per departement behandelde kwesties. De Rekenkamer signaleert evenwel niet alle zaken, maar alleen die gevallen die als typerend worden beschouwd.

In het onderhavige verslag zijn de departementen van algemeen bestuur daarom niet meer afzonderlijk aan de orde gesteld. Geconstateerde feiten zijn per soort en per onderwerp behandeld vooral omdat zij in essentie op hetzelfde neerkomen: geen discipline, geen behoorlijke verslaggeving, slechte controle en miskenning van de verantwoordingsplicht.







Paramaribo, 14 maart 1997

De Rekenkamer van Suriname,

H.O. Prade

Voorzitter



1 ALGEMEEN

1.1 SAMENSTELLING VAN DE REKENKAMER

Ook in het afgelopen verslagjaar werd niet voorzien in de vacatures van lid, plaatsvervangend lid en secretaris, zodat de Rekenkamer op het einde van het jaar nog steeds als volgt was samengesteld:

Drs.H.O. Prade - lid tevens voorzitter

J. Sheombar - lid

R.S. Marlan - plaatsvervangend lid

De Hoofdambtenaar A 1e klasse A.E. Telting die vanaf 5 januari 1989 als secretaris fungeerde, ging per 27 december 1996 met verlof om in aansluiting daarop per 1 april 1997 van zijn pensioen te genieten.

De heer Telting was vanaf 1 november 1984 aan de Rekenkamer verbonden als onderzoeksambtenaar.

1.2 EERSTE VOORZITTER OVERLEDEN

De eerste voorzitter die de Rekenkamer heeft gehad, de heer Dr. L.A.M. Lichtveld, overleed op 10 juni 1996 in Nederland. De heer Lichtveld leidde van 29 april 1954 tot 16 maart 1961 de Rekenkamer.

Op 30 juni 1996 overleed de heer Drs.H.E. Rijsdijk, die van 17 augustus 1967 tot 1 april 1972 secretaris van de Rekenkamer was.

1.3 NIEUWE REGERING

Op 23 mei 1996 werden algemene verkiezingen gehouden. In de nieuwe Nationale Assemblée kon geen tweederde meerderheid worden verkregen voor de verkiezing van een nieuwe President en een nieuwe Vice-President van de Republiek. Als gevolg daarvan werd op 5 september 1996 de Verenigde Volksvergadering bijeengeroepen om het nieuwe staatshoofd en zijn vervanger te kiezen.

De installatie van de nieuwe President en Vice-President vond op 14 september 1996 plaats in een plechtige vergadering van de Nationale Assemblée.

De installatie van de ministers, op één na, vond plaats op 20 september 1996. Op 30 oktober 1996 waren alle 16 ministers en 2 onderministers in functie.

Daarmede werd de meest omvangrijke regering (20 personen) die ons land ooit heeft gehad tot stand gebracht.

Het staatsbesluit bevattende de taakomschrijving der departementen van algemeen bestuur, is niet gewijzigd terwijl van de onderministers geen taakomschrijving (die bij beschikking van de betreffende ministers dient te geschieden) bekend is.

Wel zijn er op 6 november 1996 2 staatsbesluiten verschenen waarbij een Kabinet van de President en een Kabinet van de Vice-President werden ingesteld (S.B. No's 55 en 56). In de daarop volgende resoluties werden de taken van de kabinetten nader geregeld. (S.B. 1996 No's 61 en 62).

In de Regeringsverklaring 1996-2001 die ter gelegenheid van de grondwettelijk voorgeschreven indiening van de staatsbegroting op 1 oktober 1996 door de President van de Republiek werd voorgelezen, werd het beleid voor de komende 5 jaar uiteengezet.

De ontwerp-begroting voor het dienstjaar 1997 werd formeel ingediend, maar aangezien de Regering niet in de gelegenheid was om haar beleid daarin tot uitdrukking te brengen werd slechts volstaan met wat een "technische begroting" genoemd werd. Een spoedige indiening van Nota's van Wijzigingen werd in het vooruitzicht gesteld zodat de Nationale Assemblée reeds in het begin van 1997 de ontwerp-begroting 1997 in behandeling kon nemen.

1.4 GESPREK MET DE GEKOZEN PRESIDENT

In het kader van de hearings die de gekozen President van de Republiek hield met verschillende organen en groeperingen in het land, ontving hij de Rekenkamer op 9 september 1996.

De Rekenkamer had van tevoren een memorandum opgesteld en verstuurd waarin zij onderwerpen had opgenomen die zij voor de gekozen President en voor een goed staatsbestuur van belang achtte.

1.5 CONTACT MET DE NATIONALE ASSEMBLÉE

T.b.v. de nieuwe Voorzitter van de Nationale Assemblée werd in een schrijven van

18 oktober 1996 een aantal belangrijke zaken aangehaald. O.m. werd aangedrongen op de vervulling van de bestaande vacatures bij de Rekenkamer en op het treffen van de noodzakelijke personele voorzieningen.

Weer werd het voorstel van de Rekenkamer, om, in afwachting van de in het vooruitzicht gestelde nieuwe Rekenkamerwet, de bestaande wet op enkele punten te wijzigen, in herinnering gebracht. De bestaande onduidelijkheden zouden daarmede kunnen worden opgehelderd.

Ook aan de Commissie Staatsuitgaven van de Nationale Assemblée werd informatiemateriaal ter beschikking gesteld, maar er heeft nog geen gedachtenwisseling met deze commissie plaatsgevonden.

1.6 ONTSLAG EN BENOEMING LEDEN STAATSRAAD ONZORGVULDIG

De Rekenkamer heeft eerder kritiek gehad op de onzorgvuldige wijze waarop leden van Hoge Colleges van Staat worden bejegend waardoor onwettige toestanden ontstaan die achteraf nauwelijks kunnen worden rechtgetrokken. Zie o.a. paragraaf 7.2.1 van Verslag 1995.

In haar brief van 27 november 1996 moest de Rekenkamer de President van de Republiek erop wijzen dat zijn resolutie van 28 oktober 1996 door middel waarvan hij leden van de Staatsraad had benoemd en ontslagen niet voldeed aan de wettelijke voorschriften en bovendien onjuistheden bevatte.

Op de eerste plaats voldeed de resolutie niet aan de wettelijk voorgeschreven vorm. Voorts werd een lid ontslagen dat reeds ontslagen had moeten zijn omdat een ander lid in zijn plaats was benoemd. Het laatst bedoelde lid werd evenwel niet ontslagen. De Rekenkamer schreef o.m. het volgende:

"De Rekenkamer betreurt het dat zelfs bij de benoeming van hoge functionarissen zulke misslagen als boven beschreven, worden begaan door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Zij verzoekt U de nodige maatregelen te laten treffen opdat niet alleen meer deskundigheid en alertheid aan de dag worden gelegd in het administratiefrechtelijk verkeer, maar dat de distributie van wettelijke regelingen en staats- en bestuursbesluiten snel plaatsvindt zodat daarmede rekening kan worden gehouden.

De Rekenkamer gebruikt deze gelegenheid om wederom Uw aandacht te vragen voor haar klachten over de wispelturige verschijning van de officiële publikaties van de Staat (Staatsblad, Verdragenblad en Advertentieblad) en de hopeloze achterstand die is ontstaan.

Zij pleit andermaal voor een andere opzet waarvoor zij reeds voorstellen heeft gedaan en voor de aanwijzing van een verantwoordelijke functionaris. Zij heeft eerder ook gesuggereerd om de instelling van een staatsuitgeverij te overwegen."

De President antwoordde niet.

1.7 INTERNATIONALE CONTACTEN

De contacten met de twee internationale organisaties waarvan de Rekenkamer lid is, verlopen zeer moeizaam. Wegens gebrek aan middelen en aan kader kan de Rekenkamer niet profiteren van de opleidingsmogelijkheden die worden aangeboden. Zij kan zelfs niet voldoen aan de normale verplichtingen, zoals het betalen van contributie en het bijwonen van vergaderingen, die aan het lidmaatschap mogen worden gesteld.

De contributie-achterstand bij de wereldorganisatie van rekenkamers (INTOSAI) bedraagt 7 jaar en die bij de Caribische organisatie van rekenkamers (CAROSAI) is 5 jaar.

Voorts dient de Rekenkamer nog de contributie over de jaren 1992 en 1993 aan de organisatie van Latijns-Amerikaanse rekenkamers (OLACEFS) te betalen. Wegens haar onvermogen om aan de verplichtingen van het lidmaatschap van OLACEFS te voldoen heeft zij in 1993 het lidmaatschap van die organisatie opgezegd.





2 DE ORGANISATIE VAN DE REKENKAMER

2.1 ALGEMEEN

Door de toezending van onderdelen van personal computers die zij niet meer in gebruik heeft, heeft de Algemene Rekenkamer van Nederland in ieder geval ervoor gezorgd dat de apparatuur die zij in 1995 aan de Rekenkamer had geschonken, in bedrijf kon worden gehouden.

2.2 PERSONEELSSITUATIE

Aan het einde van het jaar had de Rekenkamer 8 personen in dienst, waaronder de fungerende secretaris die reeds afscheid van de dienst had genomen en 2 schoonmaaksters. Op dat moment beschikte zij niet eens over een bode. Na het afscheid van de heer Telting die als Secretaris van de Rekenkamer fungeerde, beschikt de Rekenkamer niet meer over een functionaris die met de dagelijkse leiding van haar kantoor is belast.

3 DE ORGANISATIE VAN DE OVERHEIDSDIENST

3.1 GEEN SANERINGSPLAN VOOR DE OVERHEIDSDIENST

Ofschoon in het afgelopen jaar, waarin algemene verkiezingen zijn gehouden, in de verkiezingsprogramma's van de verschillende aan de verkiezing deelnemende partijen wel aandacht is besteed aan een adequate organisatie van de overheidsdienst, is zulks niet in concrete maatregelen tot uitdrukking gekomen. De nieuwe regering heeft zich evenmin uitgesproken over de verschillende projectvoorstellen waarover o.a. in paragraaf 3.1. van Verslag 1995 gewag is gemaakt.

In de Regeringsverklaring 1996-2001 is geen evaluatie gepleegd van en geen mening gegeven over het Structureel Aanpassingsprogramma dat op 23 november 1992 door de Nationale Assemblée was goedgekeurd. Het is derhalve niet bekend of de daarin beoogde sanering van het overheidsapparaat door de Regering zal worden uitgevoerd. De Rekenkamer stelt voor de goede orde vast dat er geen saneringsplan voor de overheidsdienst bestaat ofschoon allerwegen daarop is aangedrongen.

3.2 ONVERMOGEN OF OPZET VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Het is bekend dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken structureel niet in staat is om zijn taken uit te voeren. Van deze omstandigheid kan niet te bewijzen misbruik worden gemaakt

Het gevolg hiervan is dat de Staat ernstig wordt benadeeld en het gezag wordt ondermijnd zonder dat kan worden vastgesteld wie, behalve de politiek aanspreekbare minister, daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld.

Op 25 oktober 1996 schreef de Rekenkamer o.m. het volgende aan de Minister van Binnenlandse Zaken:

"De Rekenkamer spreekt haar ernstige verontrusting uit over het onvermogen van Uw Directeur Binnenlandse Zaken om tijdig voorstellen van ministeries betreffende landsdienaren af te handelen en om afschriften van bestuursbesluiten te doen distribueren.

Een onderzoek heeft uitgewezen dat afgezien van de ondoelmatige werkwijze, er onvoldoende controle bestaat op de goede gang van zaken. Er is bovendien sprake van een gelaten houding. Door deze structurele nalatigheid wordt de overheid nodeloos financieel benadeeld terwijl ongewenste personeelssituaties blijven bestaan hetgeen het overheidsgezag ernstig ondermijnt."

In de brief vroeg de Rekenkamer de aandacht voor tenminste 18 voorstellen tot ontslag vanaf 1992 afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die nog steeds niet waren afgehandeld. Hierbij waren er 2 gevallen van landsdienaren die wegens fraude tot langdurige gevangenisstraffen waren veroordeeld.

De aanleiding van deze klacht was een hoge ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die bij brief van 12 augustus 1992 voor ontslag was voorgedragen. Op 4 september 1994 werd de minute van de ontslagresolutie door de President van de Republiek ondertekend, maar de afschriften van de ontslagresolutie waren na 2 jaar nog steeds niet verstrekt door de Directeur Binnenlandse Zaken.

De Rekenkamer kon niet vaststellen of er hier sprake is van opzet. Het is echter wel opvallend dat de resolutie nog steeds niet in afschrift is verschenen, dat de betreffende hoge ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken thans ons land in het buitenland vertegenwoordigt en dat de minister het nog steeds niet nodig acht opheldering te verschaffen.

3.3 MASSALE FRAUDE BIJ REGIONALE ORGANEN

De slechte organisatie van de overheidsdienst heeft tot gevolg dat ambtelijke voorschriften, als die er zijn, straffeloos kunnen worden genegeerd of zodanig kunnen worden uitgelegd door superieuren dat zij hun essentie verliezen. Door het ontbreken van behoorlijke taakomschrijvingen is het doorgaans niet mogelijk om ambtenaren in gebreke te stellen. Trouwens, lagere ambtenaren voelen zich uit angst voor represaillemaatregelen niet geroepen om zich tegen kennelijke onredelijkheid en evidente fouten van hun superieuren te verzetten of om op onrechtmatige bevoordeling van hooggeplaatsten te wijzen.

Helaas blijkt maar al te vaak dat ook functionarissen die moeten toezien op de goede naleving van voorschriften zich schuldig maken aan onrechtmatige praktijken. Dit geldt ook voor volksvertegenwoordigers van wie mag worden verwacht dat zij bij uitstek het overheidshandelen kritisch volgen.

Op 18 november 1996 was de Rekenkamer gedwongen het volgende onder de aandacht van de Minister van Regionale Ontwikkeling te brengen:

"In 1994 had de Rekenkamer Uw aandacht gevraagd voor de onregelmatige wijze waarop aan leden van de regionale organen remuneraties werden uitbetaald. Zij had vastgesteld dat de gelden werden uitbetaald zonder dat er werd gecontroleerd of de ontvangers daarop aanspraak maakten. De Rekenkamer had zelfs gesuggereerd dat er fraude werd gepleegd omdat werd gedeclareerd voor vergaderingen die niet zijn gehouden en dat gefingeerde presentielijsten werden opgemaakt.

Aan U werd gevraagd om in staats geldelijk belang een doelmatige administratie op te zetten. Voorts werd U erop gewezen dat de wettelijke voorschriften t.a.v. de functionering van de regionale organen niet (kunnen) worden nageleefd en dat de verplichte rapportage van de raden en de rapportage door de districtscommissarissen over de functionering van de ressortraden uitblijven.(Zie ook paragraaf 7.3.1 van Verslag 1994). De door de Rekenkamer gevraagde maatregelen zijn niet getroffen.

De Rekenkamer heeft recentelijk kunnen vaststellen dat de situatie t.a.v. de uitbetaling van remuneraties een betreurenswaardig dieptepunt heeft bereikt, waarbij willens en wetens op grote schaal en op grove wijze de comptabele voorschriften zijn geschonden. Er is sprake van een massale fraude, gepleegd door een groot aantal personen.

In verband met de verhoging van de vergoedingen aan leden van de districtsraden en ressortraden (zie de betreffende staatsbesluiten in S.B. 1996 No's 41 en 42), werden begin september 1996 in allerijl voor alle districtsraden en ressortraden maatregelen getroffen om de verhoogde vergoedingen van januari 1995 t/m juni 1996 te kunnen uitbetalen.

Normaliter zou men van de oude presentielijsten moeten uitgaan om de aanvullende gelden te kunnen uitbetalen. Kennelijk zou deze voor de hand liggende werkwijze niet het gewenste effect sorteren omdat wegens de slechte opkomst ter vergadering en omdat zo weinig is vergaderd, de uit te betalen suppleties niet substantieel zouden zijn.

Daarom werden achteraf voor alle ressort- en districtsraadsleden massaal presentielijsten opgemaakt voor alle vergaderingen die in de periode januari 1995 t/m juni 1996 door alle 62 ressort- en districtsraden, zonder uitzondering, met de regelmaat van de klok, vier maal per maand (72 vergaderingen) , zouden zijn gehouden.

Deze lijsten werden voor akkoord getekend door de betrokken districts-commissarissen terwijl het evident was dat het ontoelaatbaar is om presentielijsten van vergaderingen die niet zijn gehouden (achteraf) te laten tekenen. Het voorgaande leverde voor bijna alle organen, op papier een presentie van 100% op voor alle vergaderingen in de afgelopen 18 maanden.

In een enkel geval heeft men zelfs niet eens de moeite genomen om een datum voor de

vergaderingen te verzinnen.

Volgens informatie hebben de betrokken ambtenaren onder druk van de minister meegewerkt aan de gemelde massale samenspanning om staatskas te benadelen ofschoon zij zich wel ervan bewust waren dat hiermede een grove onregelmatigheid werd gepleegd. De minister vond het uitermate belangrijk om binnen de kortst mogelijke tijd, nog vóór de te houden Verenigde Volksvergadering, aan alle leden van de regionale organen de suppletiegelden die voor de RR-leden maximaal Sf 90.000,= en voor de DR-leden maximaal Sf 135.000,= bedroegen, uit te betalen.

Van enige verificatie is er uiteraard helemaal geen sprake geweest, ook niet door de Afdeling Comptabiliteit van het Ministerie van Financiën die de gelden heeft betaalbaar gesteld zodat binnen recordtijd per kas kon worden uitbetaald."

De Rekenkamer betreurde het dat hoge ambtenaren zoals de directeur van het departement en alle districtscommissarissen zonder enige schroom willens en wetens strafbare en laakbare handelingen hebben gepleegd en laten plegen.

Zij had kritiek op de onregelmatige wijze waarop gelden werden uitbetaald en meldde dubbelbetalingen die ook de ontvangende volksvertegenwoordigers niet waren opgevallen.

Haar brief bevatte ook de volgende passages:

"Volgens mededeling van het Hoofd van de Financiële en Comptabele Afdeling dienen volgens instructie de presentielijsten van een bepaalde maand uiterlijk de derde werkdag van de daarop volgende maand bij de districtscommissaris te worden ingediend die daarna het nodige ter zake laat doen. Het is evident dat de gemelde instructie wordt genegeerd.

De suppletiebetalingen suggereren dat in het tijdsbestek van 18 maanden alle regionale organen elke week hebben vergaderd en dat daarbij alle leden aanwezig waren.

Het is echter algemeen bekend dat er zeer slecht wordt vergaderd.

In de districten Marowijne, Brokopondo en Sipaliwini is het zelfs nauwelijks mogelijk om te vergaderen wegens de grote afstanden die de leden van de regionale organen zouden moeten afleggen, het gebrek aan transportmogelijkheden en de grote moeilijkheid om alle leden te bereiken."

"Evenals in 1994 viel het de Rekenkamer op dat het vaak voorkomt dat één persoon bij één gelegenheid voor meerdere vergaderingen voor meer personen tekent.

In het oog springend was dat één lid van de ressortraad van Kabalebo, tijdens de grote uitbetaling voor alle overige 6 leden heeft getekend voor aanwezigheid op alle (niet gehouden) vergaderingen, hetgeen neerkomt op het achter elkaar plaatsen van 504 handtekeningen. Ter vergemakkelijking van deze taak heeft betrokkene op een gegeven moment carbonpapier gebruikt.

Dezelfde buitengewone inspanning werd ook geleverd door een lid van de ressortraad van Boven Saramacca.Toch zijn ook deze opmerkelijke prestaties zelfs de districtscommissaris niet opgevallen, want hij tekende voor akkoord zonder dat er op de betreffende formulieren zelfs maar de datum van één vergadering werd vermeld.

De Rekenkamer heeft niet kunnen achterhalen of de genoemde personen ook hebben ontvangen voor de leden voor wie zij hebben getekend.

Ook de (4) leden van de districtsraad van Paramaribo die volgens de ingediende presentielijsten nooit of zeer sporadisch ter vergadering zijn geweest, declareerden tijdens de grote uitbetaling voor alle vergaderingen."

De Rekenkamer meende dat de daarvoor in aanmerking komende ambtenaren moeten worden gestraft voor hun al dan niet opzettelijke nalatigheid en/of samenspanning om fraude te plegen.

Zij gaf de minister in overweging om de resultaten van haar onderzoek aan de Nationale Assemblée voor te leggen zodat kan worden overwogen om de verantwoordelijke voormalige regeringsfunctionarissen aan te spreken.

Zij eiste dat de onrechtmatig uitgekeerde gelden voor vergaderingen die niet zijn gehouden en/of zijn bijgewoond worden teruggevorderd en vroeg om maatregelen opdat de regionale organen aan hun doel beantwoorden en opdat staatsgelden niet onrechtmatig worden uitgegeven.

Op 3 februari 1997 deelde de minister de Rekenkamer mede dat zij de betreffende bescheiden had doorgeleid naar de Minister van Justitie en Politie om een onderzoek naar mogelijke fraude te doen instellen.

Zij stelde daarbij dat de huidige Wet op de Regionale Organen niet voldoet en dat prioriteit wordt gegeven om deze wet te wijzigen of te vervangen door een nieuwe. Zij meende ook dat de huidige vacatiegelden niet toereikend zijn omdat de werkzaamheden die de gekozen volksvertegenwoordigers moeten verrichten veel meer omvatten dan slechts het beleggen van vergaderingen.

De Rekenkamer vond de beantwoording van de minister niet adequaat en schreef haar op 7 februari 1997 o.m. het volgende:

"De Rekenkamer heeft U verzocht de nodige en voor de hand liggende maatregelen te nemen in staats geldelijk belang. In plaats daarvan heeft U de betreffende bescheiden naar de Minister van Justitie en Politie gestuurd "om een onderzoek naar mogelijke fraude te doen instellen".

De Rekenkamer meent dat Uw bestuurlijke verantwoordelijkheid met zich meebrengt dat U zelf vaststelt óf en welke ambtenaren hun plicht hebben verzaakt en dat U de geëigende correctieve maatregelen treft. Het betreffende onderzoek dient U zelf te plegen waarna een eventuele strafklacht volgt.

De Rekenkamer verneemt derhalve gaarne of Uw interne controle de door haar gesignaleerde onregelmatigheden ook heeft opgemerkt en of er correctieve maatregelen zijn gevolgd.

Zij wenst expliciet van U te weten of U een strafklacht heeft ingediend.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het vrijblijvend inschakelen van justitiële autoriteiten weinig zin heeft wanneer men niet zelf tot een besluit is gekomen. Het Openbaar Ministerie is geen bestuurlijk adviesorgaan, maar een vervolgingsapparaat. Het is niet verantwoordelijk voor het goed functioneren van Uw ministerie.

Bovendien kunt U zelf tuchtrechtelijke maatregelen treffen zonder dat er een strafvervolging wordt ingesteld.

Tenslotte wenst de Rekenkamer te benadrukken dat het in deze kwestie niet relevant is of de vacatiegelden toereikend worden geacht en wat de werkzaamheden van de regionale vertegenwoordigers naar Uw opvatting dienen te zijn. Wat hier belangrijk is is dat ook volksvertegenwoordigers en Uw ambtenaren zich houden aan de wettelijke voorschriften en de comptabele regels in acht nemen en zeker niet meewerken aan bedriegerijen."

3.4 VORDERINGEN VAN DE OVERHEID WORDEN NIET GEÏND

De onduidelijke organisatie van de overheid heeft tot gevolg dat vorderingen van de overheid veelal niet worden vastgelegd en mede daardoor ook niet worden geïnd.

Wanneer een minister bijvoorbeeld door de Rekenkamer wordt gewezen op een door zijn ministerie gepleegde onrechtmatige betaling of dat er teveel is uitbetaald, bestaat er geen vaste procedure om het teveel uitbetaalde weer in staatskas terug te krijgen. Het wordt aan de welwillendheid van de minister overgelaten om een beschikking te doen uitgaan om de schuld vast te stellen. Ook al is de schuld vastgesteld, dan is het nog dubieus of deze ook wordt ingevorderd. Er is geen ambtenaar die het waagt de schuld van hoogwaardigheidsbekleders die ten onrechte hebben genoten van staatsgelden of van faciliteiten die door de Staat zijn betaald, vast te stellen. Bedragen die door hoogwaardigheidsbekleders op onze ambassades in het buitenland zijn opgenomen zijn ook niet altijd terugbetaald. Gedurende vele jaren is het bekend dat de Staat ten onrechte de telefoonfaciliteiten van bepaalde personen betaalt. De Rekenkamer heeft steeds aangedrongen op de terugvordering der bedragen die in de miljoenen guldens lopen, maar geen enkele positieve actie is opgemerkt.

De Minister van Financiën heeft reeds enige jaren het voorstel van de Rekenkamer om de Ontvanger der Directe Belastingen vanwege zijn expertise en uitrusting ook te belasten met schuldinvordering, in studie.

Bij de Rekenkamer bestaat het sterke vermoeden dat het al dan niet invorderen van schulden van ambtenaren mogelijkheden biedt om het gedrag van de betreffende ambtenaren te beïnvloeden. In het verleden geconstateerde kastekorten zijn gelaten voor wat zij waren.

Een recent voorbeeld is het volgende:

De Centrale Landsaccountantsdienst (CLAD) bracht met zijn rapport van 20 november 1996 aan het licht dat een hoge ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (dezelfde als genoemd in de paragrafen 3.2 en 5.2.1) per ultimo januari 1987 wegens ontvangen en niet terug betaalde voorschotten US$ 6.278,94 en Ffr. 52.000,= aan de staat verschuldigd was. Kennelijk is de organisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zo slecht dat deze schuld "vergeten" was.

De onthulling van CLAD bracht de Rekenkamer ertoe om de Minister van Buitenlandse Zaken te herinneren aan haar brief van 6 april 1988 waarin was vastgesteld dat dezelfde ambtenaar ten onrechte Nfl. 15.860,91 wegens verblijfskostenvergoeding had ontvangen. Opeenvolgende ministers hebben het niet nodig geacht om de schuld van betrokkene vast te stellen en te laten invorderen.

Het is de Rekenkamer nog niet gebleken dat de minister hierover een mening heeft.

3.5 APOSTILLERING UITSLUITEND DOOR GRIFFIER HOF VAN JUSTITIE

Wegens het gebrek aan formele functie- en organisatie-beschrijvingen verkeren vele overheidsfunctionarissen in het ongewisse over hun bevoegdheden, waaraan veelal niet kan worden tegemoet gekomen door de departementsleiding omdat die zelf geen duidelijke taakomschrijving heeft.

Goedbedoelde initiatieven van ambtenaren blijken in de praktijk op formele bezwaren van o.a. de Rekenkamer te stuiten hetgeen demotiverend kan werken.

De Rekenkamer was genoodzaakt om op 23 april 1996 het volgende aan de Minister van Buitenlandse Zaken voor te houden:

"De Rekenkamer heeft vastgesteld dat Uw Afdeling Consulaire Zaken handtekeningen geplaatst op openbare akten in ons land afgegeven, tegen betaling legaliseert.

De Rekenkamer heeft niet kunnen vaststellen waarop deze bevoegdheid is gebaseerd. Het is evenmin bekend door wie de gehanteerde tarieven zijn vastgesteld en op welke wijze de in rekening gebrachte bedragen zijn gecontroleerd en afgestort.

Het zal op Uw ministerie toch wel bekend zijn dat verdragsmatig apostilleverlening in ons land door de Griffier van het Hof van Justitie geschiedt.

Indien Uw Afdeling Consulaire Zaken verzoeken om legalisatieverlening t.b.v. het buitenland ontvangt, dient zij de verzoekers op de juiste procedure te wijzen. Indien er instellingen in het buitenland zijn die geen vertrouwen hebben in de apostillering door de Griffier van het Hof van Justitie, dienen zij dit wantrouwen te onderbouwen en onder de aandacht van de Surinaamse Regering te brengen, opdat de nodige maatregelen kunnen worden getroffen. Door zelf te legaliseren ondermijnt Uw Afdeling Consulaire Zaken, hopelijk ongewild, het gezag van de Griffier van het Hof van Justitie door een grotere betrouwbaarheid te suggereren, hetgeen evenwel geen aanwijsbare grond heeft.

De Rekenkamer is ervan op de hoogte dat sommige officiële Nederlandse instellingen de apostillering door de Griffier van het Hof van Justitie niet hebben geaccepteerd en belanghebbenden hebben verwezen naar Uw ministerie.

De Rekenkamer meent echter dat het op Uw weg ligt om Uw Afdeling Consulaire Zaken op te dragen de onderhavige legalisaties niet meer te verlenen en de Nederlandse vertegenwoordiging hier te lande te vragen om de Nederlandse autoriteiten op de hoogte te stellen dat uitsluitend de Griffier van het Hof van Justitie de gevraagde legalisatie mag verlenen.

In voorkomende gevallen dient de Nederlandse vertegenwoordiging alhier de door Nederlandse autoriteiten gevraagde zekerheden, zoals internationaal gebruikelijk, zelf te verschaffen."

De Minister van Buitenlandse Zaken reageerde niet, maar wel zijn collega van Justitie en Politie aan wie een kopie van het schrijven was gestuurd. Deze deelde zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken op 14 mei 1996 mede het volledig eens te zijn met de Rekenkamer.

Hierbij wordt opgemerkt dat de apostillering door de Griffier van het Hof van Justitie nog steeds gratis is ofschoon reeds vele voorstellen zijn gedaan om mede in het kader van de verhoging van de niet-belastinginkomsten van de overheid en gelet op het grote aantal aanvragen, een realistische vergoeding te vragen.

3.6 GEEN VERSLAG VAN ONAFHANKELIJK KIESBUREAU

Bij het benoemen van lichamen en organen en bij het aanwijzen van functionarissen en/of diensten die deze organen administratief moeten ondersteunen, wordt niet altijd gelet op de produkten die moeten worden afgeleverd en de bekwaamheden die daarvoor vereist zijn.

Een voorbeeld hiervan vormt het Onafhankelijk Kiesbureau aan wie een secretaris is toegevoegd. Ook in het afgelopen jaar en wel op 9 december 1996 moest de Rekenkamer wijzen op de tekortkoming van dit orgaan. Zij schreef de Minister van Binnenlandse Zaken o.m. het volgende:

"De Rekenkamer maakt U erop attent dat de algemene verkiezingen langer dan 2 maanden geleden zijn gehouden zonder dat het bekend is geworden dat het Onafhankelijk Kiesbureau het wettelijk vereiste verslag over de verkiezingen heeft uitgebracht.

Zij vreest dat, evenals in het verleden, dit verplichte verslag pas na jaren wordt uitgebracht waardoor het zijn relevantie verliest. Het is overigens nog steeds niet duidelijk of het door de Minister van Binnenlandse Zaken aan haar toegezonden verslag over de verkiezingen van 1991 als het verslag van het Onafhankelijk Kiesbureau moet worden beschouwd. Zie hierover paragraaf 7.2.8 van Verslag 1993 van de Rekenkamer.

De Rekenkamer acht het op Uw weg te liggen om de lichamen die door de overheid zijn ingesteld om specifieke taken te verrichten te houden aan hun verplichtingen w.o. de verantwoordingsplicht, zulks in overeenstemming met normale organisatorische beginselen en wettelijke bepalingen."

Het antwoord van de minister moet nog worden ontvangen.

4 DE FINANCIËLE ADMINISTRATIE VAN DE STAAT

4.1 ALGEMEEN

In de Regeringsverklaring 1996-2001 is zonder een nadere verklaring opgenomen dat de Comptabiliteitswet zal worden aangepast aan eisen van modern financieel management en verder aan de veranderingen die op basis van de Grondwet van 1987 in de overheidsorganisatie zijn ingevoerd. De Regering zal ook maatregelen ter verbetering van de financiële planning nemen. De President van de Republiek heeft verder een nieuwe manier van begrotingsopstelling voor het dienstjaar 1998 in het vooruitzicht gesteld.

De Rekenkamer tekent aan dat reeds in de Regeringsverklaring 1988-1993 een nieuwe Comptabiliteitswet en een nieuwe Rekenkamerwet werden aangekondigd.

In de afgelopen periode heeft zij evenwel kunnen vaststellen dat niet de invoering van welke goede maatregelen dan ook essentieel is, maar de discipline om zich te houden aan de bedoeling van het stelsel dat men heeft ingevoerd. Geen enkel systeem heeft kans van slagen als men niet consequent het eenmaal aangenomen stelsel bewaakt en onderhoudt.

Het is van belang om op te merken dat opeenvolgende regeringen de bestaande comptabele voorschriften onzorgvuldig hebben gehanteerd en niet eens verantwoording hebben afgelegd voor het door hen gevoerde financieel beheer, wat in een democratisch bestel als noodzakelijk moet worden beschouwd.

In dit verband is het opmerkelijk dat de Minister van Financiën in zijn "Verkorte Toelichting Financiële positie van de Staat 1996" dat in december 1996 is verschenen, o.m. het volgende heeft gesteld:

"Ook is uit analyse van de informatie gebleken dat niet alle ontvangsten en betalingen via de Centrale Betaaldienst van de overheid plaatsvinden. Op grond van afspraken tussen de vorigeMinister van Financiën en de Centrale Bank van Suriname vinden rechtstreeks betalingen plaats.
Deze betalingen die onder andere betrekking hebben op aflossingen en/of verrekeningen van
schulden dienen dan later via de Centrale Begrotingsboekhouding binnen begrotingsverband
geboekt te worden. Dit laatste heeft in elk geval wegens diverse omstandigheden niet
plaatsgevonden. Daarnaast zijn door de Centrale Bank ook bedragen van de werkrekening
overgeboekt naar de zogenaamde Bijzondere Rekening. Het betreft hier reserveringen voor
toekomstige betalingsverplichtingen."

Het is algemeen bekend dat de Afdeling Centrale Begrotingsboekhouding (CBB) zeer slecht
functioneert; het laatste verslag gedateerd 30 december 1991 gaat over de dienstjaren 1989 en
1990. Trouwens de door de minister genoemde extra comptabele handelingen en de notoire
onvolledigheid van de gegevens die CBB ontvangt, maken een betrouwbaar en volledig verslag
onmogelijk. De wens om een juist inzicht te krijgen in de werkelijke financiële positie van de Staat
zal derhalve onvervuld blijven.

De Rekenkamer heeft er voorts ernstig bezwaar tegen dat er rekeningen bij de Centrale Bank
worden aangehouden waarover zij geen informatie ontvangt. Op 12 november 1996 heeft zij voor
het laatst de Minister van Financiën hierover geschreven.