Persbulletin Sibibusi Beweging dd. 22 november 1997
In de stand van de Sibibusi Beweging op de Jaarbeurs konden burgers elke dag hun mening geven over een ander onderwerp. Op vrijdag 21 november was het onderwerp Moreel verval en herstel. Op de andere dagen kon men een mening geven over Burgerschap, Demokratie, Natievorming, en Onafhankelijkheid. De vragenlijst was kort gehouden, zodat men het binnen een paar minuten kon invullen. In totaal hebben op de eerste avond 177 burgers de vragenlijst ingevuld, waarvan 57% man en 43% vrouw was. De meeste mensen woonden in Paramaribo (82%) of Wanica (15%). De grootste groep bestond uit personen in de leeftijdsklasse vn 18 t/m 29 jaar (285) en 30 t/m 44 jaar (39%). Op de vraag tot welk kader men zichzelf rekende antwoordde 13% lager kader, 51% middenkader, 26% hoger kader en 10% anders (vooral studenten). Het gaat bij dit onderzoek dus niet om een steekproef, maar om een zelfselektie, waarbij vooral het midden- en hoger kader oververtegenwoordigd zijn. De resultaten zijn dus niet representatief voor de hele bevolking, maar moeten meer gezien worden als een soort 'eye-opener'.
Wel moreel verval
Op vier vragen kon men een mening geven over de mate van moreel verval in de samenleving. Men bleek vrij pessimistisch in dit opzicht. Volgens 86% was de corruptie toegenomen in de afgelopen jaren, terwijl 77% vond dat de criminaliteit was toegenomen en 92% vond dat ook het drugsvraagstuk erger was geworden. Minder dan 5% vond dat een van deze zaken was afgenomen, terwijl de overigen dachten dat deze problemen hetzelfde waren gebleven. De burgers moesten aangeven, welke van de volgende uitspraken het meest met hun visie overeenkwam:
'Surinamers kennen het verschil tussen goed en kwaad niet meer' (83%)
'Mensen die praten over moreel verval overdrijven, want het valt wel mee' (7%)
'Met de normen en waarden in ons land gaat het toch iets beter dan vroeger' (10%)
Uit de antwoorden blijkt dat men niet zo een positief beeld heeft over de medeburgers. Het moreel verval wordt blijkbaar wel als een probleem ervaren, omdat maar weinigen vinden dat het wel mee valt of dat het zelfs iets beter gaat.
Eerlijkheidstoets
Bij een van de vragen werd geprobeerd de eerlijkheid te toetsen aan de hand van drie stellingen, waarvan men moest aangeven welke het meest met de eigen mening overeenkwam. Negen van de tien mensen bleken te kiezen voor de stelling 'Je moet onder alle omstandigheden eerlijk zijn'. Slechts 6% koos voor de stelling waarbij je soms oneerlijk kan zijn nl. 'Je mag een dief niet zomaar veroordelen, soms wordt je ertoe gedwongen om iets mee te nemen'. En maar 4% gaf aan het eens te zijn met de mening 'waar je werkt moet je eten' d.w.z. dat je best je baas mag benadelen. De vraag is natuurlijk of er alleen maar eerlijke mensen in de Sibibusi stand zijn gekomen, of dat de meeste burgers toch gewoon vinden dat men altijd eerlijk behoort te zijn.
Ouders blijven belangrijk
Op de vragen over moreel herstel lagen de meningen iets meer uit elkaar. Op de vraag welke instantie kinderen het best normen en waarden kan aanleren, mocht men kiezen uit de media, de school, de kerk, en de ouders. Uiteraard hebben al deze instituten een funktie bij de opvoeding, maar men moest aangeven welke 'het best' in staat was om normen en waarden aan te leren. De grootste groep koos voor de ouders (42%), terwijl kerk en school daarna volgden (elk 17%) en tenslotte de media (15%); daarnaast kon 9% geen keuze maken. Opvallend was dat 50% van de vrouwen de rol van de ouders benadrukte, terwijl dit bij de mannen 37% was. Mannen legden meer nadruk op de rol van de school (24%), terwijl slechts 8% van de vrouwen dit vond. Ook alle leeftijdsgroepen benadrukten de rol van de ouders bij het aanleren van normen en waarden. Van de jonge ouders (leeftijd 18 t/m 29 jaar, waarvan niet iedereen zelf kinderen had) koos 32% voor de ouders en 26% voor de school. Bij de ouderen (45 t/m 59 jaar) lag het accent sterker op de ouders (57%) en veel minder op de school (6%), terwijl de andere leeftijdsgroepen daar tussenin lagen. Het hoger kader benadrukte de rol van de ouders veel meer dan het lager- en middenkader nl. 59% tegen 38%. Opvallend was dat Hindoes en Moslims de school iets belangrijker vinden (nl. 34%) als instelling waar normen en waarden geleerd kunnen worden, dan de ouders (32%). Bij Christenen ligt het accent veel meer bij de ouders (49%) dan bij de school (8%). Het zou interessant zijn om na te gaan of dit verschil bij een groter onderzoek ook zou blijken, omdat het duidelijke perceptie-, maar misschien ook opvoedingsverschillen aangeeft.
Goede voorbeeld
Tenslotte mocht men aan de hand van vier uitspraken aangeven wat het meest zal bijdragen aan moreel herstel in het land. Men kon kiezen uit het individu dat het goede voorbeeld geeft, ouders die hun kinderen vertellen wat ze niet moeten doen, een school waar discipline heerst, en een overheid die goed let op haar inkomsten en uitgaven. Van de jaarbeursgangers bleken de meesten (52%) te kiezen voor het goede voorbeeld als belangrijkste instrument tot moreel herstel. Daarna volgde de verantwoordelijke overheid (19%), de ouders (15%) en de school (10%), terwijl 5% geen keuze kon doen. Zowel mannen (48%) als vrouwen (59%) kozen vooral voor het goede voorbeeld. Bij de mannen volgde daarna de overheid (20%), terwijl bij de vrouwen de overheid en de ouders even hoog scoorden (elk 16%). Opvallend was dat vrouwen weinig vertrouwen hebben in de discipline op school (slechts 5%), terwijl 13% van de mannen dat toch wel als een bron voor moreel herstel zag. Opvallend was ook dat het lager kader naast het goede voorbeeld (41%) een verantwoordelijke overheid erg belangrijk vindt (36%).