Verweer Directeur Staatsolie Drs. S.E. Jharap tegen voordracht voor ontslag door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.
Besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. tot ontslag van Drs. S.E. Jharap
Verweer van de Directeur Staatsolie tegen het onslagbesluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders
 

 

 


 
MEMORANDUM
Voor: De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.
22 september 1998
 
  Van: Drs. S.E. Jharap, Algemeen Direkteur van Staatsolie

 

1. Ervan wordt uitgegaan dat hetgeen door de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen is gesteld in zijn schrijven aan de Direktie van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. d.d. 20 augustus 1998 (No. NH.98.1799, Onderwerp: Ontslag van de Algemeen Direkteur, Drs. S.E. Jharap), rechtens bevoegdelijk en correct het standpunt weergeeft van de Staat Suriname (verder "de staat"), als aandeelhouder van voormelde vennootschap, die in elk geval tenminste 99% van de aandelen in het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap houdt en derhalve in staat is haar standpunt te maken tot het standpunt van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, en dat ook zal doen in deze vergadering.

2. Het sub 1 vermelde standpunt houdt dan in, zoals verwoord in de brief van de Raad van Commissarissen van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. d.d. 29 juli 1998, dat de Staat Suriname als aandeelhouder van die vennootschap:

a. een beleid voorstaat, gericht op versnelde productieverhoging van uit het Tambaredjoveld, door middel van samenwerkingsvormen, zoals participatie van derden of het sluiten van production-sharing contracten;

b. dat ondergetekende zou hebben aangegeven dat beleid niet te onderschrijven en niet te zullen uitvoeren, aangezien de Direktie het beleid bepaalt en uitvoert, en daarom ondergetekende geen enkele opdracht of suggestie van de enige aandeelhouder ver-plicht is te verwerken, of daarmede rekening te houden;

c. dat als gevolg van het sub b vermelde er een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen voormelde aandeelhouder en ondergetekende;

d. dat als gevolg van die vertrouwensbreuk praktisch geen uitvoering kan worden gegeven aan de artikelen 10, 11, 12, 19 e.v. van de statuten van de vennootschap, en daardoor de continuïteit van het bedrijf en de bestaanszekerheid van de werknemers ernstig in gevaar wordt gebracht;

e. dat dan ook op grond van het sub d vermelde, onder-getekende moet worden ontslagen.

3. Dit memorandum strekt ertoe, dat ondergetekende voor zijn rechten als Algemeen Direkteur van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. (verder "de vennootschap"), zowel als werknemer van die vennootschap, opkomt als bedoeld in artikel 6 lid 6 van de statuten van die vennootschap.

 4. In haar sub 2 bedoeld schrijven spreekt de Raad van Commissarissen van een vertrouwensbreuk die zou bestaan tussen de staat en ondergetekende.

Een vertrouwensbreuk kan echter slechts bestaan, indien door onbekwaamheid of ongeschiktheid van de direkteur van een vennootschap, of door wanbeleid zijnerzijds, geen vertrouwen in zijn persoon meer kan bestaan en zulks uit vaststaande feiten blijkt.

Een verschil in beleidsinzicht tussen de staat en ondergetekende duidt echter, ten enenmale, niet op ongeschiktheid, onbekwaamheid of wanbeleid van ondergetekende.

Kennelijk bedoelt de Raad van Commissarissen dan ook niet dat er gebrek aan vertrouwen zou zijn, doch dat er volgens haar een onmogelijkheid van samenwerking tussen de staat en ondergetekende zou zijn ontstaan.

5. Ondergetekende is echter van oordeel dat van een onmogelijkheid van samenwerking geen sprake is, althans voorzover die werkelijk aanwezig zou zijn, dat geen geldige reden kan zijn tot ontslag als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de statuten van de vennootschap.

Immers, slechts indien de noodzaak van samenwerking aanwezig is en dus bij afwezigheid daarvan de bedrijfsactiviteiten van de vennootschap geen voortgang zouden kunnen hebben, zou zulks een redelijke grond tot ontslag kunnen zijn.

Samenwerking nu is slechts dan noodzakelijk wanneer twee functionarissen van een vennootschap, of twee organen binnen een vennootschap, gezamenlijk een bepaalde taak hebben te verrichten.

Bij de naamloze vennootschap is zulks nu slechts het geval binnen de Direktie, omdat de taak van de Direktie eenduidig is en dus ingeval er meerdere Direktieleden zijn hun deeltaken slechts te onderscheiden, doch niet te scheiden zijn.

Op grond daarvan is dan ook ingevolge artikel 103 e.v. van het Wetboek van Koophandel, de Direktie collectief verantwoordelijk voor de deugdelijkheid van het bestuur van die vennootschap, terwijl iedere bestuurder terzake hoofdelijk aansprakelijk is.

Ten aanzien van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders geldt zulks echter niet, tenzij er maar twee aandeelhouders zouden zijn en zij een gelijk aantal aandelen zouden hebben.

Uit het voorgaande blijkt derhalve, dat een noodzaak van samenwerking als vorenbedoeld tussen de Direktie en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders voor een deugdelijk verloop van de vennootschappelijke activiteiten niet aanwezig is, aangezien hun respectieve taken los van elkaar staan en ook naar inhoud verschillen.

Onjuist is dan ook de stelling van de Raad van Commissarissen in haar brief d.d. 29 juli 1998, dat praktisch geen uitvoering gegeven zou kunnen worden aan de artikelen 10, 11, 12, 19 e.v., waarbij nog het volgende moet worden opgemerkt:

a. artikel 10 is een bepaling die vennootschapsrechtelijk niet thuis hoort in de statuten van de vennootschap.

Het betreft namelijk niet de organisatie, structuur en inrichting van de vennootschap, maar het onderwerpen van een onderdeel van het ondernemingsbeleid aan de goedkeuring van de nationale overheid alszodanig, en niet aan de goedkeuring van een vennootschappelijk orgaan.

Dat blijkt ook uit het feit dat voormelde bepaling zich richt naar de vennootschap en niet naar een vennootschappelijk orgaan.

Een dergelijke bepaling hoort dan ook als beleid van de nationale overheid in de wet thuis, hetgeen overigens ook geschied is in artikel 5 van de Petroleumwet 1990.

Maar dan kan nimmer volgehouden worden dat aan voormelde bepaling geen uitvoering kan worden gegeven, als gevolg van een verschil in beleidsinzicht tussen twee vennootschappelijke organen.

Bovendien zal de nationale overheid in het kader van het staatsbelang moeten beoordelen, of zij de vennootschap toestemming geeft om een z.g. petroleum-overeenkomst die aan haar ter goedkeuring wordt voorgelegd, aan te gaan, mede gelet op de motivering die door de vennootschap te dier zake wordt gegeven, en mitsdien kan het feit dat tussen een aandeelhouder van de vennootschap en haar Direktie een verschil in beleidsinzicht bestaat nimmer relevant zijn voor voormelde goedkeuring;

  1. Hetzelfde geldt uiteraard voor de artikelen 11 en 12 van de statuten van de vennootschap.
  2. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders en de Raad van Commissarissen mogen zich voor de beantwoording van de vraag, of zij al dan niet hun goedkeuring zullen verlenen voor het verrichten van handelingen door de Direktie, die onder de in voormelde artikelen vermelde handelingen vallen, zich slechts laten leiden door het vennootschappelijk belang, in dier voege dat zij behoren na te gaan, gelet op de motivering van de Direktie, of het verrichten van die handeling het belang van de vennootschap zal schaden;

    c. De artikelen 19 e.v. van de statuten van de vennootschap zijn voor de relatie tussen de Direktie en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders met betrekking tot het door de Direktie te voeren beleid, niet relevant.

    6. Ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel is de Direktie belast met het besturen van de vennootschap.

     Voormelde bestuursbevoegdheid en bestuursplicht is exclusief, dus met uitsluiting van elk ander orgaan van de vennootschap, aan de Direktie toebedeeld.

    Weliswaar kunnen op voormelde bestuursbevoegdheid beperkingen worden aangebracht, doch zulks betekent slechts dat aan die bestuursbevoegdheid voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals het moeten blijven binnen de doelomschrijving van de vennootschap, en het slechts mogen verrichten van bepaalde nauwkeurig omschreven handelingen na goedkeuring van die handelingen door een ander vennootschappelijk orgaan, hetzij de Raad van Commissarissen, hetzij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, hetgeen ook is geschied in de artikelen 11 en 12 van de statuten der vennootschap.

    Dergelijke beperkingen betekenen echter niet dat dan aan de Direktie een deel van haar bestuursbevoegdheid is ontnomen, doch slechts dat de Direktie bij de uitoefening van haar bestuurstaak die beperkingen in acht heeft te nemen.

    Het laatste blijkt uitdrukkelijk uit artikel 131 van het Wetboek van Koophandel dat immers duidelijk aangeeft, dat het goedkeuren of machtigen tot het verrichten van bepaalde bestuurshandelingen niet als bestuurshandelingen worden aangemerkt.

    Op grond van het voorgaande is het duidelijk dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, zelfs als er maar één aandeelhouder zou zijn, geen enkele bevoegdheid heeft om het beleid van en voor de vennootschap vast te stellen, en een door haar voorgestaan beleid toch aan de Direktie voor te schrijven en op te dringen en in elk geval zeker niet wanneer die bevoegdheid haar niet bij de statuten van de vennootschap aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders is toegekend.

    Voormelde statuten bevatten nergens een dergelijke bevoegdheids-toebedeling aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders of een individuele aandeelhouder, hetgeen overigens rechtens ook niet mogelijk zou zijn.

    Binnen de vennootschappelijke organisatie behoren de organen van een naamloze vennootschap in relatie tot en ten opzichte van elkaar te handelen overeenkomstig de wettelijke en statutaire bepalingen, die hun plaats binnen de vennootschap bepalen.

    Elk orgaan van de vennootschap behoort zich dan ook te onthouden van het betreden van een gebied, dat krachtens de wet of de statuten tot de competentie van een ander orgaan behoort.

    Het feit dat de Direktie een beleid voorstaat dat verschilt van de visie die de staat heeft, kan dan ook op zichzelf nimmer reden zijn tot ontslag van een lid van de Direktie.

    7. Het besturen door de Direktie houdt in:

    a. beleidsvorming en -vaststelling, organisatiestructurering en greep op de gang van zaken in de vennootschap en de daarmede verbonden onderneming, zulks ter verwezenlijking van het doel van de vennootschap, de z.g. management control;

    b. verwerving, aanwending en bewaking van het vermogen van, en de beheersing van de geldstromen binnen de vennootschap en de daarmede verbonden onderneming, de z.g. financial control;

    c. de zorg voor de naleving van de tot de vennootschap en de met haar verbonden onderneming gerichte wettelijke en statutaire bepalingen.

    8. Overeenkomstig het sub 7 gestelde heeft de Direktie dan ook het navolgende beleid gevormd en vastgesteld met betrekking tot het Tambaredjoveld.

    Aardolie in het Tambaredjoveld werd ontdekt in 1968 door de GMD. Van 1968 tot 1981 hebben diverse oliemaatschappijen w.o. Shell, Elf, Petrolera de Las Mercedes en Gulf Oil naar deze vondst gekeken en als niet interessant gekwalificeerd. Na haar oprichting in 1980 besloot de vennootschap het onderzoek in dit gebied voor eigen rekening en risico, zelf ter hand te nemen. In 1982 kon reeds met een bescheiden produktie van 200 barrels per dag gestart worden. Naarmate kennis en ervaring toenamen en financiële middelen beschikbaar kwamen, werd jaarlijks de produktie verhoogd.

    In 1990 begonnen plannen voor de bouw van een olieraffinaderij serieuze vormen aan te nemen, en mede op grond daarvan werd de produktietarget op het niveau van 7.000 barrels per dag gesteld, zijnde de capaciteit van de raffinaderij. In 1994 werd besloten het produktiedoel verder omhoog te brengen en op 10.000 barrels per dag te stellen. De verhoogde produktie zou voor additonele cash-flow kunnen zorgen. Door velen werd echter twijfel uitgesproken over de haalbaarheid van genoemd produktieniveau.

    Voorzichtigheidshalve werd dat niveau pas voor het jaar 2005 ingeschat.

    In 1995 werd een relatief rijke olie-afzetting in het Tambaredjoveld gevonden, die met voorrang in ontwikkeling is gebracht, waardoor het beoogde olieproduktieniveau reeds in 1997 werd bereikt.

    De snelle groei van de vennootschap, de bouw van de raffinaderij en de toename van de olieproduktie en het produktenassortiment, maakten het duidelijk voor de Direktie dat in 1997 een nieuw strategisch plan opgesteld moest worden, met inachtneming van de wensen van alle betrokken partijen. Op 28 mei 1997 vond een gedachtenwisseling plaats tussen de Minister van NH, de RvC en de Direktie, waarbij door de Minister de wens tot snelle produktieverhoging in het Tambaredjoveld werd uitgesproken. De Direktie zou op korte termijn, binnen een maand, voorstellen daartoe uitwerken. Een verslag van deze bespreking is door de Voorlichtingsdienst van het Ministerie van NH gepubliceerd in De West van 5 juni 1997 en De Ware Tijd van 6 juni 1997. Daarin wordt o.m. gesproken over het opvoeren van de olieproduktie naar 20.000 barrels per dag, binnen de regeerperiode van de huidige regering.

    De Direktie heeft de wens van de Minister serieus opgevat, en een plan voor produktie-verhoging tot 20.000 barrels per dag onderzocht, uitgewerkt en voorgelegd aan de RvC op 13 juni 1997. Met instemming van de RvC werden de resultaten van de studie aan de Minister van NH aangeboden op 26 juni 1997.

    In de daaropvolgende maanden heeft de Direktie het nieuwe produktieplan van het Tambaredjoveld nader in een feasibility study uitgewerkt, de studie met de RvC besproken en is vervolgens op zoek gegaan naar financiering. In dit verband mag vermeld worden dat een delegatie van Direktie en RvC in november 1997 naar Luxemburg zijn gegaan voor besprekingen terzake.

    Ondertussen werd na intensieve consultaties een concept raamwerk voor een strategisch plan voor 1998-2002 ten behoeve van de vennootschap opgesteld en aan de RvC in december 1997 aangeboden voor commentaar. In dit strategisch plan zijn een aantal doelstellingen geformuleerd, waarbij de produktieverhoging in het Tambaredjoveld en de wijze waarop deze uitgevoerd zal worden, een prominente plaats innemen. De vennootschap wenst het Tambaredjoveld in eigen beheer en voor eigen risico te ontwikkelen.

     

    9. Het sub 8 vermelde beleid is overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 lid 1 van de statuten der vennootschap, uiteindelijk vastgesteld na overleg terzake met de Raad van Commissarissen.

    Het voorgaande blijkt onder meer uit de notulen van de vergadering van de Raad van Commissarissen van 29 december 1997.

    Overigens heeft de huidige Raad van Commissarissen zich bij schrijven d.d. 12 juni 1998 achter voormeld beleid gesteld, in het bijzonder dat de bewezen reserves in het Tambaredjoveld binnen de onderneming van de vennootschap verder tot ontwikkeling moesten worden gebracht.

    Nimmer heeft de Algemene Vergadering van Aandeelhouders dat beleid als ondeugdelijk en niet in het belang van de vennootschap zijnde, aangemerkt en ook nimmer aangegeven wat het door haar voorgestane beleid exact inhield, en waarom dat dan beter zou zijn dan het door de Direktie gevormde beleid.

    Integendeel heeft de President van de Republiek Suriname in de vergadering van De Nationale Assemblee van 25 september 1997 duidelijk gesteld, dat de onderneming van de vennootschap noch geheel, noch gedeeltelijk aan welke multinationale maatschappij dan ook mocht worden overgedragen.

    De Minister van Natuurlijke Hulpbronnen heeft voorts, specifiek, als één van de uitgangspunten van het beleid van de nationale overheid gesteld, dat het Tambaredjoveld en omgeving nationaal bezit diende te blijven, bij zijn instructie aan de Commissie Onderhandeling en Evaluatie van de Aardoliesector.

    Die uitgangspunten stemmen geheel overeen met het beleid van de Direktie.

    10.Op grond van het al het voorgaande, stelt ondergetekende met klem, dat er geen geldige redenen tot zijn ontslag aanwezig zijn, als bedoeld in artikel 6 lid 2 van de statuten van de vennootschap.

     

    Paramaribo, 22 september 1998

    Drs. S.E. Jharap

    Algemeen Direkteur

     

     


    Besluit Algemene Vergadering van Aandeelhouders

    van de N.V. Staatsolie Maatschappij Suriname

    d.d. 22 september 1998 – omstreeks 16.15 uur

    ___________________________________________

    Gehoord en gelezen het Memorandum d.d. 22 september 1998 van Drs. S.E. Jharap aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de N.V. Staatsolie Maatschappij Suriname acht de Algemene Vergadering van Aandeelhouders geen termen aanwezig om het dienstverband met U te kontinueren, het e.e.a. met inachtneming van het gestelde in artikel 1615 i lid 3 BW.

    De Aandeelhouder stelt er verder geen prijs op dat U met ingang van heden, dinsdag 22 september 1998, verdere werkzaamheden uitvoert ten behoeve van de Naamloze Vennootschap.

    Van deze gelegenheid wordt gebruik gemaakt door de Aandeelhouder U te berichten dat zij bij beschikking van 20 augustus 1998, Nr. 3198 van de Minister van Arbeid toestemming heeft gekregen het dienstverband met U te beëindigen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de daartoe toepasselijke bepalingen uit de Statuten, hetgeen inhoudt dat 6 maanden na heden het dienstverband met U is beëindigd en daarbij wordt U verzocht de U toebedeelde bevoegdheden en alle tot de Naamloze Vennootschap behorende dokumenten en bescheiden over te dragen, konform Statuten, aan de heer Ing. M.C. Waaldijk, waarbij aanwezig zullen zijn de President-Commissaris, Ing. E. Tjon Kie Sim, en het Gedelegeerd Raadslid, Ir. D. Mungra op woensdag 23 september 1998 om 11.00 uur v.m. ten kantore van de vennootschap aan de Industrieterrein 21 te Half Flora.

    Na de overdracht ontzegt de Aandeelhouder U de toegang tot alle terreinen en opstallen van de Vennootschap.

    Paramaribo, 22 september 1998

    w.g.

    Ing. E.Tjon Kie Sim

     

     


     

    Aan:

  3. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Staatsolie

  4. Maatschappij Suriname N.V.
  5. De Raad van Commissarissen van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.
 Geachte heren, Zoals ik op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. d.d. 22 september 1998 heb toegezegd, leg ik hierbij mijn bezwaren vast tegen het besluit van de AVA tot mijn ontslag en het besluit tot mijn buitenfunctiestelling en wel als volgt:

Het besluit tot mijn ontslag is gegeven in strijd met de wet en in strijd met de statuten van de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V., aangezien er geen geldige redenen tot mijn ontslag aanwezig zijn, zoals door mij bereids uiteengezet in mijn Memorandum aan u d.d. 22 september 1998. Voorts voor zover volgens u geldige redenen als voormeld wel aanwezig zijn, zijn deze niet als motiverend opgenomen in het besluit van de AVA d.d. 22 september 1998, hetgeen in strijd is met de wet en met artikel 6 lid 6 van de statuten der vennootschap.

Wat betreft het besluit tot mijn buitenfunctiestelling is deze in strijd met het recht, aangezien geen enkele wettelijke bepaling aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van een naamloze vennootschap de bevoegdheid toebedeelt tot een dergelijke maatregel tegen de direkteur van een dergelijke vennootschap. De wet en de statuten van onze vennootschap geven aan hoe rechtens opschorting van de uitoefening van zijn functie door een bestuurder van een naamloze vennootschap kan geschieden en feitelijke buitenfunctiestelling valt daar niet onder, zodat een dergelijke maatregel als fraus legis moet worden aangemerkt. De genomen besluiten op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van onze vennootschap te mijnen aanzien zijn dan ook rechtens ondeugdelijk en daaraan zal door mij derhalve geen gevolg kunnen worden gegeven.

Behalve in geval van een rechterlijk bevel mij te onthouden van de uitoefening van mijn functie als Algemeen Direkteur zal ik daarmede mitsdien voortgaan. In dat kader wijs ik u er uitdrukkelijk erop dat indien u mij dat belet, u in strijd handelt met het tussen mij en de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. in kortgeding gewezen vonnis.

Paramaribo, 23 september 1998,

Met hoogachting,

Drs. S.E. Jharap
Algemeen Direkteur